Categorie: Hans Adema

Columns van Hans Adema

  • Als het wintert 2. . . Vogels

    Als het wintert 2. . . Vogels

    Toen ik met succes om de Elsviers vogelgids had gezeurd voor mijn achttiende verjaardag heb ik een vogelhuisje gemaakt voor de tuin. Het was een krakkemikkige constructie, waar ik desondanks erg trots op was. Ik ben sowieso niet zo een klusser. Mijn moeder vond het boek eerst te duur, maar toen ik hem later gebruikte om op haar verzoek heel mooie vogels op de voederplank te determineren, had ze door dat dat het juiste cadeau voor me was. Op de voederplank zat eens een heel grote groep kepen. Voor ons toen een nieuwe soort! Tot twee jaar geleden waren kepen iedere winter bij me present in mijn tuin in de Rijndijkstraat. Waar zijn ze gebleven!?

    Houtduif.

    Mijn moeder voorzag mijn vogelhuisje elke ochtend na het ontbijt van heel fijngesneden stukjes brood voor de vele mussen die we iedere dag in tuin hadden. Vervolgens joeg ze de aanvliegende houtduiven weg, want ze had een bloedhekel aan die ‘schrokoppen’ zoals ze de duiven noemde! Turkse tortels waren er toen nog niet op Scheveningen. De Turkse tortel komt pas sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in Nederland voor. Niet voor te stellen nu. Een collega van me vertelde dat de eerste Turkse tortel werd binnengebracht In het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (nu Naturalis geheten), het hele museum was uitgelopen om de vogel te zien.  

    Elseviers vogelgids is geschreven door de Engelsen Peterson, Mountfort en Hollum, en voor Nederland vertaald en bewerkt door Mr. J. Kist (notaris), Hetgeen de gids de bijnaam, zeg Geuzennaam, ‘de Kist’ opleverde. Als je op excursie ging met het Leidse biologen excursiedispuut ‘Sacculina’, was er altijd wel een deelnemer die voor de zekerheid vroeg of er iemand was die de Kist bij zich had. Dat was in die tijd de enige behoorlijke vogelgids, later zijn er vele goede bij gekomen. Dat gaf me een probleem, want ik moest ze natuurlijk allemaal hebben. Duur grapje! Maar in die tijd was ik freelance vertaler bij Tirion. Ik had enkele boeken vertaald en er aardig wat geld er mee verdiend. En kon ik een tweede vogelgids gids krijgen, die van Jonsson. Het zoontje van mijn jongste zusje, nu uiteraard een volwassen man, is gek op vogels, maar hij had alleen het boek van zijn vader ‘Zien is kennen’. Overigens een fantastisch boek, al was het alleen maar door de prachtige platen! Door mijn connectie met de uitgever kon ik hem ook Jonsson ’s vogelgids geven!

    Op zekere dag was er een Sacculina excursie waarbij een student een gloednieuwe, maagdelijke Kist bij zich had. Een van de deelnemers, Leo, greep hem het boek uit handen met de mededeling: “die is veel te schoon. Een vogelgids is pas ingewijd als hij in het water heeft gelegen” en dreigde de gids in een kanaal van de Amsterdamse Waterleiding Duinen te gooien. Uiteraard deed hij dat niet. Hij tipte de rug even op de oppervlakte van het kanaal, maar de eigenaar van het boek werd hysterisch!!!! Maar helemaal ongelijk had Leo niet, als je mijn Kist nu ziet. Maar ik ben heel trots op mijn stuk gelezen exemplaar met ik weet niet hoeveel aantekeningen bij waargenomen soorten! Bij alle foto’s staat de datum van wanneer ik ze voor het eerst zag. Behalve bij de algemene tuinvogels in Den Haag. Maar die kan ik teruglezen in mijn natuurdagboeken!.

    Groenling.

    Dankzij de Kist kon ik een pijlstaarteend in winterkleed determineren in het Verversingskanaal op Scheveningen. Daar liepen in de winter altijd vogelkijkers, want er zaten en zitten iedere winter wel bijzonderheden. Zoals op een gegeven moment kuifeenden die er bleven, de eerste broedgevallen in Nederland! Iets ten noorden van het Verversingskanaal in Meijendel. Daarvoor was het uitsluitend een wintergast. Nu broeden er vele in ons land. Ook mijn eerste futen heb ik daar gefotografeerd, want ik had net van mijn spaargeld een nieuwe camera, Olympus Pen EED, gekocht. Een van mijn broers was als beroepsmilitair gelegerd in Duitsland en kon daar de camera belastingvrij kopen. Dat scheelde een aardige slok op een borrel.

    Mannetjes vink.

    Ook kon ik dankzij de Kist een Engelse vogelkijker op de Oostvaardersdijk helpen met een determinatie. Ik stond met een groep vogelaars van de KNNV met mijn verrekijker naar een ijseend te kijken, ijseend in winterkleed. Opeens kwam er een op en top Brit naar me toe en vroeg: ‘Sir, is this a Long-tailed  Duck or is this not a Long-tailed Duckt?” Ik antwoorde dat ik even de vogelgids moest raadplegen. Die geeft namelijk ook de Engelse, Franse en Duitse naam.  Zo kon ik hem zeggen “indeed it is a long-tailed Duck”. ’s Avonds kijk ik thuis naar het journaal op de TV en zie dat de Europese ministers van financiën (het was voor de Brexit!) in Ootmarsum bijeen zijnvoor een vergadering. Ik vertelde dat de week daarop tegen de conservator vogels van Naturalis en die zei, ja die ken ik, dat is een beroemde amateur ornitholoog. Zo zie je, ook ministers zijn maar eenvoudige vogelaars!

    Pimpelmees.

    Ik gebruik het boek nog erg graag, ook al zijn de platen in de nieuwe gidsen veel beter. Maar deze is zo lekker vertrouwd en ik weet direct op welke pagina ik moet zijn bij het zien van een nieuwe vogel in mijn tuin. Of zoals een hop, twee jaar geleden in Meijendel!

    Koolmees vrouwtje.

    Conclusie: trek er in de winter lekker op uit. Voor mij was de winter steevast vogels kijken. In oktober borg ik mijn flora op en haalde mijn verrekijker en vogelgids tevoorschijn. Om die in april weer terug te ruilen. In april keek ik dan zeker een volle dag in de flora om alle wetenschappelijke  namen van de planten boven te halen! Op een excursie kreeg ik steevast te horen, hoe kan je al die namen zo onthouden? Niet dus, ik oefende ze iedere lente opnieuw! Of, om met een student, Jan-Willem, te spreken die door iemand gevraagd werd: hoe heet die plant? Waarop hij zei” weet ik niet, zoek ik wel effe op in Adema”.

    Merel.
  • Als het wintert 1…

    Als het wintert 1…

    ‘Als het wintert’ is de kop boven het laatste hoofdstuk in het onvolprezen Verkade-album ‘Paddenstoelen’ uit 1928. (Jazeker, toen al met de tussen-N in het woord paddenstoelen.)  Ik blijf in mijn columns nog even in de winter, het is immers pas februari. En nu om een paar dingen recht te zetten die door de meeste Nederlanders fout geïnterpreteerd worden. Namelijk zij die zich verbazen dat er nog veel paddenstoelen te zien zijn. Het is een wijdverspreid misverstand dat paddenstoelen bij de herfst horen. Niets is minder waar. Paddenstoelen zijn er het hele jaar door en dan niet houtpaddenstoelen die meerjarig zijn, maar gewone plaatjeszwammen en bekerzwammen die je in deze tijd van het jaar niet zou verwachten. Er zijn specifieke voorjaarsoorten, zomersoorten, herfstsoorten en wintersoorten. Sommige plaatjeszwammen kan je het hele jaar door vinden. Maar de meeste paddenstoelen zijn er inderdaad in de nazomer en herfst, vandaar dat bijna iedereen paddenstoelen associeert met dat jaargetijde!

    Ik kwam op het idee om hier iets over te schrijven omdat iemand op Facebook een foto plaatste van zwavelkopjes met als commentaar: Hoe kan dit in januari? Welnu, het is heel gewoon. Als ik vroeger naar Meijendel fietste om vogels te gaan kijken, klom ik altijd onderweg het hoogste uitkijkpunt op. De trap naar het uitzichtpunt is gemaakt van oude spoorbielzen. En daar groeien zwavelkopjes op, het hele jaar door. Ook nu in 2023!

    Zwavelkopjes.

    De meeste plaatjeszwammen zijn niet winterhard. Thijsse schrijft: “In de eerste vorstperiode sneuvelen veel ridderzwammen, russula’s en amanieten”. Dat is juist. Alleen is de eerste vorstperiode nu wel later dan in zijn tijd, als die er sowieso al is. Er zijn ook soorten die nachtvorst gewoon nodig hebben om zich te ontwikkelen. Voorbeelden hiervan zijn de oesterzwam en het fluweelpootje. Ik heb ook een keer meegemaakt tijdens een paddenstoelenweekend met mijn Leidse Biologiestudenten excursiedispuut ‘Sacculina’, dat de boleten op de Veluwe ’s ochtends, half oktober, stijf bevroren op de hei stonden. Zodra ze ontdooiden, zakten ze als een pudding in elkaar. Einde seizoen! Verse consumptiepaddenstoelen kan je dan ook niet in de diepvries bewaren.

    Fluweelpootje.

    Toen ik in 1962 overging van de vijfde naar de zesde klas van de lagere school heb ik mijn vaders hoofd gek gezeurd om het Verkade Album ‘Paddenstoelen’ te krijgen voor mijn rapport! Ik had het in de etalage gezien bij een antiquariaat in een zijstraat van de Fred in Den Haag. In de loop van de winter daarop heb ik het album kapot gelezen, bijna in de Etna kolenkachel gekropen en ben ik er helemaal bij weggedroomd! Wat kon Thijsse goed schrijven! Maar ook de plaatjes en platen waren briljant, vooral die van Jan Voerman jr. Zo ongelooflijk levensecht. Ook bij de plaatjes kon ik wegdromen! Eigenlijk nog steeds. Ik heb alle zwartwitte platen in het album met kleurpotloden gekleurd. Heiligschennis, ik heb later er dan ook voor gezorgd dat ik een maagdelijk mooi exemplaar van het album kreeg! Zoals ik dat met meer boeken heb, zoals mijn Elseviers Vogelgids, de reptielen- en amphibieëngids en de orchideeëngids.  Met het inkleuren van die platen in het album van Thijsse ben ik dagen bezig geweest. Hoewel het dus heiligschennis was, is het album me daardoor nog dierbaarder geworden.

    Het is begin februari. En zijn er nog genoeg paddenstoelen. Zoals ik al in het begin schreef, dat is heel normaal, niks klimaatverandering of zo, dat is altijd zo geweest. Ook dat is in mijn natuurdagboeken terug te lezen. Zo vond ik op 5 februari 1967 kale inktzwammen in Clingendael met mijn buurvriend Ernst en zijn familie!! Ik moet een vooruitziende blik gehad hebben toen ik 1 januari 1967 besloot een natuurdagboek bij te gaan houden. Ik maak er veel gebruik van voor mijn artikelen en boeken. En nu dus ook voor de columns. Als ik op Waarneming.nl kijk, of op Facebook, naar vondsten van paddenstoelen van vandaag, dan valt het me op hoeveel er nu nog gemeld wordt. Ik let altijd op naar wie de vondst instuurt. Vaak kan ik uit de naam van de waarnemer al afleiden of de naamgeving juist is.

    Zwavelgeel elfenbankje.

    Een van de meest vreemde winterwaarnemingen van paddenstoelen is die van het zwavelgeel elfenbankje, Flaviporus brownii. Die was bekend van de tropische tuin in Burgers Bush. Theo Westra vond deze soort eind november 2015 op het eiland Koudenhoorn aan de onderzijde van een populierenstam. Het was ijskoud en kletsnat weer, hetgeen ook te zien is op de foto’s. Zoals de naam al aangeeft is deze paddenstoel knalgeel. De vondst op Koudenhoorn is de enige naast die van Burgers Bush. Op de Verspreidingsatlas staan bij Koudenhoorn twee stippen. Hij groeit precies op de grens van twee atlasblokken. Theo heeft hem van het ene atlasblok gemeld, ik van de tweede. Van heinde en verre kwamen mensen naar Koudenhoorn om hem te zien. Dat heeft de horeca op het eiland overigens geen windeieren gelegd. Dus voor mensen die verbaasd zijn over winterse paddenstoelen, zelfs in dit jaargetijde kan je nieuwe vondsten doen. Wat mij altijd bevreemd heeft is dat de Mycologische Vereniging deze vondst van mij omarmd heeft, en ook die uit Burgers Bush, maar een vondst van een andere nieuwe soort voor ons land van mij, in de tropische kas van de Hortus, Geastrum welwitschii (geen Nederlandse naam, een aardster) heeft afgewezen omdat het een exoot zou zijn. Dit is meten met twee maten!

    Cedergrondbekerzwam

    De winterpaddenstoel bij uitstek is het fluweelpootje, Flammulina velutipes. Onmiskenbaar, door zijn donkeroranje hoed en een zwarte fluweelachtige steel. Hij groeit op allerlei soorten hout en is zeer algemeen in het hele land.  Hij is goed eetbaar en smakelijk en wordt in met name Japan veel gekweekt. Daar gebruikt men broed voor dat op een geschikte voedingsbodem in oude cola-flesjes geënt wordt. Dat mondt uit in lange witte steeltjes met een rond kopje. Ze zijn in de handel als Enoki-take. Take betekent paddenstoel, Enoki weet ik niet, maar is de naam van een boom. Ze worden in het donker geteeld, waardoor de vruchtlichamen wit blijven. Ik gebruik ze graag in een heldere bouillon. En de wilde heb ik ook gegeten, gevuld met ragout. Beide overheerlijk! Ooit vond ik midden in de zomer fluweelpootjes. Die worden nu als aparte soort onderscheiden: het zomerfluweelpootje, Flammulina fennae. Benoemd door de beroemde Leidse paddenstoelenonderzoeker Kees Bas, naar zijn echtgenote Fenna.

    Rode kelkzwam.

    Ik kan nog uren doorgaan met winterwaarnemingen, maar dan ga ik u ongetwijfeld vervelen. Dus afronden. Twee bekerzwammen uit de winter moeten nog de revue passeren. Een bekerzwam die steeds algemener wordt is de cedergrondbekerzwam Geopora sumnerianaI Dit is een begeleider van alle soorten ceder. Die is wel degelijk algemeen geworden door de klimaatverandering. Toen ik die in 1996 in de Leidse Hortus ontdekte, was dat de vierde vondst in Nederland. Nu heb alleen al bij mij in de buurt meer dan 10 vindplaatsen. Ieder jaar maakte ik daar foto’s van op de Cronesteijnkade. Op een gegeven moment kwam de bewoonster uit het huis en die vroeg me waar ik tussen haar fietsen foto’s van maakte (ik vind het bij stadnatuur altijd leuk om op de foto auto’s, fietsen of vuilnis te hebben). Ik liet de paddenstoelen zien. Ze was stomverbaasd. Oh, zei ze, die schoffel ik altijd weg, ik dacht het kwaad kon voor de planten. Nadat ik had uitgelegd wat het was en wat het belang van de paddenstoelen is, laat ze de vruchtlichamen met rust. Meestal is er in deze tijd al een vondst gepubliceerd op Waarneming.nl, maar dit jaar merkwaardig genoeg nog niet, ondanks de warme periode.

    Krulhaarkelkzwam.

    Ik besluit met de wonderschone kelkzwammen, Sarcoscypha austriaca en S. ruber. Beide zijn scharlakenrode bekers die op half ondergegraven bemoste takken van populier en vooral wilg groeien in kletsnatte polderbossen, zoals Koudenhoorn in de Kagerplassen. Om ze goed te onderscheiden is een microscoop nodig, maar met een beetje oefening kan je ze wel zo herkennen. Ze komen pas een jaar of 50 in Nederland voor, maar nemen explosief toe. Aangezien het van oorsprong een montane soort is, hebben we nu eens niet te maken met klimaatverandering! Je kan ze ook regelmatig in de sneeuw vinden, daar trekken ze zich niks van aan.

    Conclusie: trek er in de winter lekker op uit. Ik combineerde in mijn tienertijd dat als volgt. Naar Meijendel vogels en paddenstoelen kijken! Op zaterdagmiddag na school. Wij hadden nog op zaterdagmorgen school, nu niet meer in te denken, maar ik vond het altijd heel leuk! Een vooruur gymnastiek, meestal basketbal. De enige sport waar ik ondanks mijn geringe lengte redelijk goed in was! Na de lessen met mijn mede schoolbibliothecarissen vergaderen, lees: een biertje drinken. Naar huis, lunchen en naar Meijendel, vogels kijken. En ’s avonds na de broodmaaltijd naar het jeugdhonk van de kerk, dansen! Zo een nerd was ik ook weer niet!

  • Zilte eetbare gewassen

    Zilte eetbare gewassen

    © Siegfried Woldhek.

    Verzilting van de bodem

    Oorspronkelijk heette mijn column nu: ‘zilte aardappelen’. Maar ik het heb uitgebreid met andere zilte gewassen en met wat oester weetjes, want anders werd het wel een heel kort verhaal!

    Een van het grote probleem van de huidige tijd in de landbouw is niet alleen de hoge prijs van energie. Even zo belangrijk is de verzilting van de ondergrond, vooral in kustgebieden. Veel landbouwers vreesden dat het verbouwen van groente een en ander onmogelijk zou worden. Zo wilden landbouwers bij het Grevelingenmeer dat de sluizen dicht bleven, terwijl er plannen zijn om ze op een kier te zetten. Omdat zout water op het zoute drijft ontstond er een zogenaamde spronglaag, op 10 meter diepte. Duikers ontdekten dat het zoute water onder de spronglaag geen zuurstof meer kreeg en, op wat schimmels na, al het bodemleven dood was. Omdat te herstellen is vermenging en doorspoelen nodig. Helaas kregen we toen Henk Bleker (CDA!) als staatsecretaris die er faliekant op tegen was en er een stokje voor stak. Inmiddels zijn de plannen in een vergevorderd stadium om de doorspoeling mogelijk te maken, zodat het bodemleven zich kan herstellen.

    Een van de negatieve bijeffecten van het dichthouden van de Grevelingendam is dat de eens zo florissante en winstgevende oesterkweek ook onmogelijk werd, de oesters stierven massaal En dat terwijl de Grevelingen nog een gezonde populatie had van de platte Zeeuwse oester (Ostrea edilis). De meeste oesters die in de Oosterschelde gekweekt worden zijn Portugese of Japanse oesters, respectievelijk Crassostrea angulata en C. gigas. Volgens mijn Amerikaans-Nederlandse collega, Geraat Vermeij, is het echter een en dezelfde soort. Saillant detail: Geraat is blind, hij determineert verbluffend goed schelpen met zijn vingers. Ik heb hem in Leiden vaak geassisteerd.

    Volgens kenners is de smaak van de platte Zeeuwse oester superieur ten opzichte van de andere. Ik kan daar niet over oordelen. Ik lust geen oesters. Mijn zwager die in scheepsnavigatie apparatuur handelde, kreeg ieder jaar met kerst als relatiegeschenk van een van zijn klanten een paar dozijn oesters. Hij bracht ze vervolgens mee naar mijn ouders. Ik heb het wel een paar keer geprobeerd, maar het kan me echt bekoren. En toen ik heel zwaar allergisch werd voor mosselen, heb ik het niet meer aangedurfd.

    Zelfde probleem op Texel.

    Ook op Texel speelde het probleem van de verzilting. Er kwam een tuinder, Marc van Rijselberghe op het idee of er misschien aardappelrassen te ontwikkelen waren die ook konden gedijen op een zilte bodem. Hij slaagde er inderdaad om diverse rassen te kweken. Over van de nood een deugd maken gesproken. In optima forma.

    Eerste succes

    De beste en lekkerste bleken het ras ‘Miss Mignon’ te zijn, met een hoge opbrengst. (Ik gebruik expres het woord tuinder, boer is zo een beladen woord tegenwoordig). Het werd een doorslaand succes.  Toen de eerste oogst binnen was belde ik mijn vriend Arthur Oosterbaan, bioloog bij Ecomare op Texel, of hij een kilootje voor me kon regelen. Hij schoot in de lach en zei: “Nee helaas Hans, dat kan ik niet. Nog voor een aardappel gepoot is hebben de (betere) restaurants op Texel al alles opgekocht”. Het is overigens wel gelukt. Nu kan je ze al in het hele land verkrijgen!

    Het leuke aan zilte aardappelen dat je er in principe geen zout bij hoeft te doen, maar de aardappelen zelf smaken zoet. Ze zijn overheerlijk. De tuinder heeft inmiddels wel tabak van het grapje dat er geen zout bij hoeft. Dat begrijp ik wel. De eerstvolgende keer dat ze er weer zijn, waarschijnlijk eind oktober, ga ik ze lekker onder de grill roosteren. Zonder toegevoegd zout natuurlijk! En erbij, beter gezegd vooraf, zilte groentesoep van Texel.

    Andere gewassen

    Er komen steeds meer zilte gewassen erbij, zelfde tuinder (Marc van Rijselberghe) experimenteert met van alles en nog wat, zelfs zilte aardbeien Nou ja, niet de aardbeien zelf, die zijn zoet. En wit!

    Op het Zilt proefbedrijf op Texel zijn inmiddels heel veel succesvolle zouttolerante soorten ontwikkeld, zoals zilte wortelen, witte kool (heeft sowieso zilte voorouders, zeekool, zie verderop) en strandbiet. Ook strandbiet is een zilte voorouder van de onze bekende bieten. Ook hier is dus succes verzekerd. Helaas is het zilt proefbedrijf failliet, maar ik meen dat er een doorstart is. Ik hoop van wel, want dit is zo een belangrijke ontwikkeling!

    Ironisch genoeg stond er zeekool, strandbiet, zulte, lamsoor en zelfs zeekraal, naast andere zout minnende planten als de betoverend mooie zeewinde, duinroos en rimpelroos (van het jeukpoeder, de glasnaaldjes in de bolsters) op de uitwatering bij Katwijk. Maar de gemeente Katwijk houdt niet van planten. Dus wordt het talud van de uitwatering bij Katwijk twee keer per jaar volledig kaal gemaaid, ondanks protesten uit natuurorganisaties.

    Van nature zilte groenten

    Er zijn van nature zilte groenten zoals lamsoren (Limonium vulgare) en zeekraal (Salicornia europea). Lamsoren heb ik helaas nog nooit zelf gegeten. Zeekraal is overheerlijk. Veel mensen eten ze rauw, maar dat is nu net niet de bedoeling. Dan is het erg zout en hard. Het beste is blancheren: even aan de kook brengen en direct onder de koude kraan afspoelen om het kookproces te stoppen. Klontje roomboter erbij en genieten maar! Heerlijk bij gebakken vis, zoals slibtongetjes. Roerbakken is ook goed mogelijk, maar dat heb ik zelf nog nooit geprobeerd!

    Terug naar de zilte groenten. Lamsoren en zeekraal groeien gewoon in het wild en met name zeekraal wordt vaak in het wild verzameld. Maar het is logisch dat dat niet zomaar meer mag, om aanslag op de natuur te beperken. Zeekraal wordt dan ook massaal gekweekt. Wat de meeste mensen niet weten is, dat je zeekraal niet zomaar kan plukken. Als de planten te oude zijn worden ze taal en met de namen de middennerf is dan onverteerbaar. Als de planten gekiemd zijn kan je ze na 5 weken oogsten, meestal is dat begin mei. In de herfst, september en oktober gaat zeekraal verhouten kleurt prachtig rood. Maar dan zijn de verhoute planten uiteraard niet meer eetbaar, want de verhoute zeekraal is te oud en te hard. Met een hele nare, scherpe middennerf weet ik uit ervaring.

    Lamsoren worden ook geoogst als de planten nog niet bloeien, namelijk van half maart tot eind juli. Daarna komen ze in bloei. Dat is een prachtig gezicht, bijvoorbeeld in de Slufter op Texel. Grappig is dat zeekraal en lamsoren elkaar in de tijd opvolgen. Het ene jaar staat er zeekraal, het jaar daarop lamsoren. Lamsoren kan je blancheren of wokken. Bij het bereiden slinken de planten heel sterk, zoals bijvoorbeeld spinazie. Houdt daar dus rekening mee. Het wordt tijd dat ik het toch eens moet proberen. Ik heb mezelf bij het schrijven erg nieuwsgierig gemaakt. Ik zal eens kijken bij een reformwinkel of bij Ekoplaza.

    Een andere eetbare kwelderplant is zeeaster of zulte (Aster tripolium). Let op: Jonge bladeren van zeeaster werden vroeger veel gegeten onder de verwarrende naam ‘lamsoren’. Zo kende ik ze in mijn jeugd ook. Maar die naam is tegenwoordig voorbehouden aan het echte lamsoor. Ook bij zeeaster is het voorjaar de oogsttijd voor de jonge bladeren.  Je eet deze gesmoord in roomboter bij vis. Lijkt me heerlijk bij mijn lievelingsvis, sliptong! Zeeaster is een overigens heel belangrijke voedselplant voor o.a. ganzen, schapen en andere grazers. Maar het is ook een heel belangrijke drachtplant voor diverse soorten wilde bijen. Er is zelfs één wilde bij gespecialiseerd op zeeaster. Bij mijn middelbare school was er een kademuur tegenover Madurodam die in september paars kleurde van de zeeaster en daar plukte iedere week een bos voor mijn moeder, die dol was op wilde bloemen in een vaas. (Ik ook nog steeds overigens).

    Een ander eetbaar zilt gewas is zeekool, een van de stamouders van onze kool. Deze is dus bij uitstek geschikt om mee verder te experimenteren. Het immers van nature een zoutliefhebber. Hoewel de soort in het wild erg zeldzaam is hij langs de hele kust vaak te vinden. Een heel mooie en grote populatie is er bij de Meijendelse slag tussen Meijendel en Scheveningen in. En gelukkig moeilijk bereikbaar. Dat eigenlijk niet, maar het is heel vermoeiend lopen in het rulle zand. Tot zover de zilte (w)etenswaardigheden. Ik zou zeggen, ga eens lekker experimenteren. En let op de zilte aardappelen. Google over een maandje waar ze te krijgen zijn. Ga ik ook doen!

  • Wasabi bestaat niet, of wel?

    Wasabi bestaat niet, of wel?

    Grote kans, zeg maar zo goed als 100% Dat u nog nooit echte wasabi heeft geproefd. Ik hoor het u al zeggen, nee hoor, ik heb een tube wasabi in de koelkast liggen. Helaas, dat is geen wasabi, maar mierikswortel. Omdat wasabi een beschermde naam is, zit er op last van de warenwet een beetje wasabi in, al is het maar 1%. Maar dat is dan allang geen wasabi meer. Het is onmogelijk wasabi te bewaren of te conserveren.

    Moerasplant

    Wasabia japonica is een moerasplant die voorkomt in Japan, en het Russische eiland Sachalin, maar wordt tegenwoordig overal ter wereld veel gekweekt, ook in Nederland. In Nederland is er een kweker in het Westland, ‘Dutch Wasabi’ die de planten in een grote kas heeft staan. Vanwege de onzekerheid die er nog is bij het kweken, worden de planten voor de consument, vooral restaurants, alleen op bestelling geoogst.

    Wasabi groeit graag op met mos begroeide beekoevers, die zorgen voor een goede afwatering. Hij is winterhard, alleen zeer koud winters overleeft hij niet. Maar die zijn er niet meer, De plant is een zogenaamde kruisbloemige, nauw verwant aan look zonder look. Hij heeft een stevige penwortel. Deze heeft na ongeveer twee jaar zijn definitieve lengte bereikt en is dan ongeveer 30 cm lang en 3,5 cm dik. In de wortel zitten de bekende scherpe mosterdoliën, die sterk prikkelen op de tong.  

    Wasabi is een geliefde specerij bij Sushi, maar helaas zoals eerder gezegd, de verse wasabi verliest binnen 10 minuten zijn typische scherpe smaak. Een echt sushi restaurant bereidt de wasabi dan ook aan je tafel waar jij bijstaat. De wortel wordt geraspt op een speciale wasabi rasp, een houten plankje bekleed met gedroogde haaienhuid, oroshigane of oroshiki genaamd. In mijn eerste jaar biologie moesten wij een kleine Noordzee haai, een doornhaai ontleden. De huid van haai is net schuurpapier en bij uitstek geschikt om wasabi wortel te raspen. Direct na het raspen moet de wasabi genuttigd worden, anders is de smaak al vervlogen. De smaak is overigens superieur.

    Echte wasabi

    Omdat de smaak zo snel vervliegt is het onmogelijk wasabi te conserveren, wat je als wasabi in de winkel koopt, in de bekende groene tubes is dus groen gekleurde mierikswortel, soms vermengd met mosterd(poeder) en radijs. En chlorofyl uit sla voor de groene kleur. Het is een veel gehoord fabeltje dat in Japans in restaurant altijd wasabi geserveerd wordt, ook Japanse restaurants gebruiken de bekende groene tubes. Voor veel mensen is het waarschijnlijk een teleurstelling om te horen dat Japanners ook het nepproduct gebruiken. Alleen het betere restaurant in Japan serveert echte wasabi bij je aan tafel vers gerolde sushi.

    Ik zelf behoor tot de gelukkigen in Nederland die het geproefd heeft. Enige jaren geleden kregen we een uitnodiging voor de kerstborrel in de Hortus met daarbij de mededeling dat we de echte wasabi gingen proeven. De kas chef van de Hortus had langs het beekje in de varen tuin enkele planten gekweekt en die werden bij de borrel geraspt waar je bij de stond, uiteraard voor bij de Sushi. Het was inderdaad een sensatie! Rogier had dan ook zo een speciale rasp met haaienhuid. 

    Terug naar de sushi. Na de tweede wereldoorlog werd in verband met de voedselschaarste het eten van zeewier in Japan gepropageerd. Overigens eigenlijk een traditie van duizenden jaren. Met name roodwieren, purperwier, Porphyra umbilicalis, bleek heel geschikt. Dit wier komt heel algemeen over de hele wereld voor, ook in Nederland. Het wier wordt veel gekweekt voor de consumptie en staat bekend onder de naam ‘Nori’.  Ik had een keer een lezing van de KNNV Leiden. Degene die de lezing gaf, wijlen dr. Wf Prud’homme van Reine had Nori meegebracht en liet het zijn toehoorders proeven. Oh, wat vond ik dat smerig. Maar rond sushi, is het wel lekker. Alleen heb ik het moeten leren eten. Het zit ook als rode spikkeltjes op Japanse zoutjes. Iedereen heeft het zodoende wel eens gegeten. Er zijn nog veel meer eetbare soorten wier, zoals zeesla Ulva lactuca. Dat vind je terug als groene spikkeltjes op Japanse zoutje. Zeesla kan je ook zoals groente eten en is tegenwoordig gewoon vers verkrijgbaar bij onze nationale Grootgrutter. En Wakame, een bruinwier, Undaria pinnatifida, die geen Nederlandse naamheef Alle drie genoemde soorten wier worden in Japan op grote schaal gekweekt. In Nederland komt het kweken van wier ook in zwang, met name in Zeeland en hier en daar in de Waddenzee.

    Zeewier gezond

    Zeewier is erg gezond en zit boordevol mineralen en andere belangrijke voedingssupplementen . Daarnaast bevatten algen ook vitamine B1 en visvetzuren en zijn zeewieren een bron van jodium, calcium, fosfor, magnesium, natrium, kalium en vitamine B. Met name jodium proef je!

    (Mocht u denken, die naam Prud’homme van Reine ken ik, zijn vader schreef de onvolprezen boekjes ‘Wat vind ik aan het strand’, ‘Wat vind ik in de duinen’ en ‘Wat vind ik in sloot en plas’).

    Voor de beste kwaliteit Wakame, zeesla en Nori kan je het beste naar een gespecialiseerde Chinese of Japanse supermarkt. Ik mag graag winkelen bij Amazing Oriental in Den Haag Ypenburg. Je kijkt er je ogen uit! Ik kom er altijd met volle tassen vandaan.

  • Vogels en andere dieren in mijn achtertuin in de San Luis Valley in Colorado

    Vogels en andere dieren in mijn achtertuin in de San Luis Valley in Colorado

    Auteur: Koos Daley, PhD, Alamosa, Colorado.

    Ik geniet altijd als ik mijn broers columns lees over voedsel, vogels, paddenstoelen, en andere esoterische dingen. Niet alleen zijn ze goed onderzocht en interessant, maar de familieherinneringen die Hans tussen zijn verhalen weeft geven me vaak heimwee als ik over mijn jongere jaren denk.  Ik ben 57 jaren geleden naar Amerika geëmigreerd en ik heb 35 jaar in Alamosa gewoond op 2300 meter boven zeeniveau.  Mijn huis ligt aan de Rio Grande en ik heb een hectare land.  De tuinvogels hier verschillen niet zo veel van de tuinvogels in Holland, maar we hebben hier vogels die ik nog nooit gezien had.

    Duizenden kraanvogels (Antigone canadensis) komen twee keer per jaar door onze vallei.  In de herfst zijn ze op weg naar warme streken zoals New Mexico en Mexico en verder zuidelijk.  In de lente zijn ze op terugweg naar Nebraska en Kansas en verblijven ze een paar weken in de vallei.  Het is indrukweekend om de dansen te zien als de kraanvogels gaan paren.  Ik wordt vaak wakker als ik hun mysterieuze geroep hoor in de vroege morgen als ze over de rivier vliegen.  Toen we net in Alamosa woonden, waren er nog een paar whooping cranes (Grus americana) tussen de kraanvogels.  Maar die zijn verdwenen en staan nu op de bedreigde vogels lijst.

    Alhoewel veel Canadese ganzen (Branta canadensis) naar het zuiden vliegen iedere winter, er zijn er veel die overwinteren dicht bij mijn huis, met temperaturen die wekenlang -20 graden Celsius of kouder zijn. Hier staan ze achter mijn huis op de bevroren Rio Grande.  Nu, in begin maart, vormen ze paren en maken nesten in het riet aan de oevers.  Het is een prachtig zicht als ze over de rivier vliegen in een perfecte V.

    Dichter bij huis, hebben we onze gewone kleine vogels, zoals vinken, koolmezen, zwaluwen, spechten, soms een ijsvogeltje, juncos, boomklevertjes en musjes.

    Als ik in bed lig, luister ik naar de uilen in de boom naast mijn raam.  Het is een spookachtig geluid en ik denk altijd aan de Amerikaanse indiaanse legende dat de uil je naam roept als je dood gaat. Ik luister voorzichtig en hoop dat de uilen Koos of Jacoba niet kunnen uitspreken.

    Nu dat het weer wat warmer wordt en het overdag boven de nul graden is en de sneeuw langzamerhand begint te dooien langs de rivier, komen de adelaars en haviken terug naar hun nesten of beginnen nieuwe nesten te bouwen. We kijken al jarenlang naar dezelfde nesten en verbazen ons over de zorg die beide ouders geven aan het groot brengen van de jonge vogels.  Een blijft altijd op of bij het nest terwijl de andere op kleine en iets grotere knaagdieren jaagt.  Eens viel er een havik op mijn patio met een eekhoorntje in zijn snavel die te zwaar was om mee te vliegen.

    Behalve vogels, heb ik ook andere bezoekers op mijn land.  Er zijn veel muilezelherten en ze zijn zeker niet welkom. Alle bloemen, groenten en kruiden die ik ooit geplant heb vreten ze op. Ze zijn vooral dol op tulpen en ze poepen overal op mijn netjes gemaaid gras. De mannetjes zijn prachtig met indrukwekkende geweien, en regelmatig stoppen er mensen om te vragen of ze mogen jagen, maar ik woon binnen de stadsgrens, dus het is streng verboden.  De kalfjes worden geboren met witte stippels en ik noem ze altijd Bambi. Het kalf op de foto lag verscholen in de uiterwaarden waar ik aan het maaien was en ik reed er haast overheen.  Ik stuurde de foto naar mijn zusje in Nederland die onmiddellijk verklaarde dat de hertjes alles in haar tuin mochten opeten als ze bij haar in Driebergen kwamen wonen!

    Vossen, wasbeertjes, stekelvarkens, bevers, en stinkdieren komen vaak op visite.  Stinkdiertjes zijn zeker niet welkom vooral niet wanneer ze gevaar ruiken en de hele omgeving met geurvlaggen verstieren! Een keer hadden de buurhonden gevochten met een stinkdier en moesten in tomatensap gewassen worden, een bewezen middel tegen de stank van een stinkdier.  Zodat de bevers niet al de ratelpopulieren omknaagden, moesten we kippengaas om de boomstammen wikkelen.  De Noord Amerikaanse antilope, niet een echte antilope, maar een gaffelbok, zijn er in grote kuddes.  Ze zijn schichtig en moeilijk te fotograferen want ze rennen weg zo gauw ze gevaar voelen.  Ze zijn een van de snelste Noord Amerikaanse landdieren en kunnen snelheden van over 80 kilometer per uur halen. Ze zijn prachtig om te zien als ze met volle snelheid door de sneeuw rennen.

    Om bergschapen (Moeflons) te zien moet je een beetje verder van huis, maar we zien ze vaak als we in de vroege morgen door de bergen lopen.  Ze zijn zeker niet bang voor mensen en makkelijk te fotograferen. Ze zijn het officiële dier van de staat van Colorado.

    Dicht bij mijn huis op de dijk van de Rio Grande, een favoriet wandelpad, staan verschillende borden met informatie over wat te doen als je een poema ontmoet. Er zijn ook soms beren die de stad komen bezoeken om voedsel te vinden.

    Ik heb een paar keer een beer gezien; een grote zwarte beer was een keer in een boom geklommen tegenover de lagere school in Alamosa.  Hij moest verdoofd worden en werd terug gebracht naar de bergen. De hele stad kwam kijken naar het spannende tafereel!  Zelf heb ik nooit een poema ontmoet alhoewel ik de dijk paden dagelijks loop. Maar een van mijn studenten die op ons huis paste heeft er verschillende gezien in de uiterwaarden van de rivier bij ons huis.  Alhoewel ze contact met mensen vermijden, zijn ze gevaarlijk.  Misschien is het veiliger en wat meer rustig om in Leiden of Driebergen te wonen, maar ik zou zeker mijn dierenvrienden en -vijanden missen.

  • Fruitvliegjes

    Fruitvliegjes

    Dit is de tijd van vliegen in de keuken. Groene vleesvliegen die eieren leggen op de restanten kattenvoer en fruitvliegjes op de lege bierblikjes in de vuilnisbak. Gelukkig worden de restanten voer van mijn zwartwitte kater nu opgegeten door twee eksters, stadsduiven en een grote schrokop van een zilvermeeuw. Maar de fruitvliegjes zitten er nu met duizenden. U denkt misschien ‘wat doet een artikel over vliegjes op een culinaire site?’. Het gaat nu niet eens over eten, maar op diertjes die op zoete etensrestanten afkomen. In tegenstellig tot de groene vleesvliegen brengen de fruitvliegjes overigens geen enge ziekten over, maar ze zijn wel verantwoordelijk voor schimmel en bacteriën op fruit. Het fruitvliegje, Drosophila melanogaster is een heel interessante soort. Het is een kleine soort vlieg. Het vrouwtje is eenkleurig geel, het mannetje heeft een zwarte vlek op het achterlijf, daar komt de naam melanogaster vandaan. Het dier heeft hele grote chromosomen, zogenaamde reuzenchromosomen (de dragers van de erfelijke eigenschappen) en daardoor bij uitstek geschikt voor genetisch onderzoek. En voor genetica practica aan biologie studenten. Veel van wat we weten over de moleculaire processen van de ontwikkeling van organismen is ontdekt bij enkele modelorganismen zoals de fruitvlieg. Ze zijn bijzonder gemakkelijk te kweken, op pulp van bananen. Zodoende heten ze ook wel bananenvliegjes. Ook in cafés kunnen ze bijzonder hinderlijk zijn en kroegbazen en de tapwacht noemen ze dan ook biervliegjes.

    Er zijn heel veel mutanten van het fruitvliegje bekend, met witte ogen, met gereduceerde vleugels (vestigial), bar, noem maar op. In mijn eerste jaar hadden we een practicum genetica, waar we de diverse mutanten moest kruisen. Daartoe deed je één mannetje en één vrouwtje in een klein melkflesje zoals die vroeger gebruikt werden op de lagere school voor schoolmelk. Die flesjes waren inmiddels in onbruik, dus we moesten er erg zuinig op zijn. Als voedingsbodem werd bananenpulp gebruikt. Als je een beetje pech had, had je twee weken later enkele honderden vliegjes. Die moesten we vervolgens scheiden op de gekruiste mutanten en daarna tellen. Hoeveel van mutant één, hoeveel van mutant twee. Een keer had een vriend van me niet hygiënisch genoeg gewerkt en kreeg een schimmelinfectie in zijn kweek. Vraag maar wat vliegen van je buurman, zei de practicumleider. Dat scheelde aanzienlijk in het telwerk. Het bracht hem op een lumineus idee. Hij drukte het beschimmelde flesje achterover en deed af en toe wat schimmel bij een volgende kweek. Niet iedere keer, want dat zou opvallen! Er waren meer studenten die een bloedhekel hadden aan dat telwerk, waaronder een meisje. Die piepte er tussen de middag tussenuit en zei tegen ons, zeg maar dat ik ongesteld ben. Hé, zei een vrouwelijke practicumleidster, dat zei ze twee weken geleden ook al!

    Jaren geleden schreef ik met een vriend columns over de natuur in Leiden. Ik durf rustig te zeggen dat wij pioniers waren op het gebied van de ‘stadsnatuur’. Veel stukjes gingen over wat we nu ‘stoepplantjes’ noemen. We schreven die stukjes in Café De Keizer in Leiden. De vele fruitvliegjes vielen ons natuurlijk op. Vooral omdat op de bar alle mutanten rondliepen. Ik liet dat aan de kroegbaas, Wil, zien en zei dat onze volgende column over de fruitvliegjes zich in zijn kroeg afspeelde. Hij werd knalrood en brulde: “als jullie dat maar uit je hoofd laten”. Klanten associeerden de vele vliegjes ten onrechte met onhygiënische omstandigheden. Een andere kroegbaas sloot de kranen bij sluiting ‘s avonds af met condooms, om de vliegenoverlast in de vuile leidingen te beperken. Wat ons opviel, waren uiteraard de vele mutanten op de tap. Zoals ik al eerder zei, een van een van die mutanten heet bar! We zaten te brainstormen en ik kwam op het idee om te schrijven dat die mutanten mee waren gelift met het haar van de practicumleider Athos. Insiders van biologie wisten daardoor meteen welke kroeg het betrof en moesten ook erg lachen om het grapje. Athos is namelijk zo kaal als een biljartbal!

    Overigens woonde tegenover De Keizer een vrouw die bij de minste of geringste aankondiging van een evenement naar de politie stapte om het te laten verbieden. Ze kreeg natuurlijk altijd nul op het rekwest. De vergunning was natuurlijk al verleend. Op een gegeven moment kreeg ik een brief van haar met complimenten over onze krantenstukjes. Hoe ze aan mijn adres kwam is me nog steeds een raadsel. Ik moest er erg om lachen. Mevrouw Bosch-Gans (zo heette ze, bijnaam in de buurt was: ‘Bosch streepje Gans!’), u moest eens weten dat de door u bewonderde stukjes tot stand komen en het zo door u gehate Café. Na haar dood heeft ze zelf voor overlast gezorgd. Bloedhete zomer en ze lag opgebaard in een kamer op de eerste verdieping van haar huis, waar de zon vol op stond. Er was zilverkleurige folie nodig om de warmte buiten te houden, ze begon enigszins te meuren! Niemand in de buurt was er rouwig om dat we verlost waren van die querulant. En dan te bedenken dat ze op een prachtige woonboot buiten de stad woonde. Waarom ze naar de drukke binnenstad verhuisde was ons een raadsel!

    Maar terug naar de fruitvliegjes. Ze zijn heel belangrijk als voer voor jonge terrarium dieren als bidsprinkhanen en baby salamanders en -reptielen. Vooral omdat ze zo gemakkelijk te kweken zijn. En voor de laboratoriumproeven: je hebt er geen vergunning voor nodig. Er zal er niemand van wakker liggen als je minieme vliegjes doodt voor onderzoek. Als je op internet naar fruitvliegjes zoekt krijg je allemaal tips hoe je ze moet bestrijden. Helaas voor de mensen die dat willen: het is onmogelijk!                                             

  • Truffels

    Truffels

    Soorten

    Even voor de goede orde: ‘De truffel’ bestaat niet. Truffels is een verzamelnaam voor ondergronds groeiende paddenstoelen, bij paddenstoelen liefhebbers Hypogea genoemd. Bij het woord truffel denkt iedereen gelijk aan de delicatessen uit Zuid-Europa, maar ook dat is natuurlijk niet waar. Truffels komen voor in de meest verschillende paddenstoelenfamilies. Er zijn veel, meer dan je denkt, eetbare soorten. Maar ook niet eetbare omdat ze niet lekker zijn of vreselijk stinken en er zijn zelfs meer dan genoeg giftige soorten. Je hebt bijvoorbeeld truffels bij de buizwammen, zoals ondergrondse aardappelbovisten, Truffels bij de meest diverse groepjes zakjeszwammen. Maar daarover straks meer. De truffels waar we het hier verder over gaan hebben zijn ook zogenaamde zakjeszwammen, en dat zijn in de meeste gevallen de lekkere soorten.

    Maar eerst even een uitleg over ‘buikzwammen’ en ‘zakjeszwammen’, anders raakt u het spoor bijster. Buikzwammen zijn steeltjeszwammen, basidiomyceten. Soorten waarbij de sporen gevorm worden op kleine steeltjes, die met het ongewapende oog onzichtbaar zijn. In goed Nederlands heten buikzwammen ook wel stuifzwammen, omdat ze als je er op trapt, de sporen als een enorme wolk ziet ontsnappen. Bij zakjeszwammen, Ascomyceten, worden de sporen, zoals de naam al aangeeft in speciale cellen die er uit zien als zakjes. Vezeltruffels zijn aardappelbovisten en niet eetbaar. Hertentruffel zijn wel zakjeszwammen, maar ook niet eetbaar. En dan heb je nog de inktruffels, Melanogaster spec., ook ondergrondse buikzwammen.  Zoals de welriekende inktruffel, Melanogaster broomenianus. Die ruikt heel lekker en zoet, zoals de naam al doet vermoeden. Deze soort stond ooit in de Leidse Hortus botanicus. Ik liet hem aan de hortulana zien en die zei: oh, dat heb ik al zien liggen, maar ik dacht dat het kattenpoep was. Maar dan heb je nog de heel zeldzame Melanogaster ambiguus. Die vanwege de zeldzaamheid geen Nederlandse naam heeft! Een paar jaar geleden vertelde een kennis van me op Naturalis dat een vriend van hem een truffel had opgegraven in zijn tuin. Ik werd nieuwsgierig en wilde hem graag onder de microscoop bekijken. Ik kreeg hem in een dicht zakje. Toen ik dat open maakt, stonk mijn hele huis naar iets afschuwelijk smerigs. Ik wist meteen in welke hoek ik moest zoeken. Ik had hem op Facebook geplaatst en een vriend van me vroeg of hij hem ook mocht fotograferen. Hij had gelijk dezelfde ervaring als ik, maar nog erger. Zijn vrouw stormde de kamer in en riep: dat vieze ding eruit. De foto’s werden in de tuin gemaakt een daarna is de inkttruffel diep in de tuin begraven.

    In Nederland komen elf soorten echte truffels, genus Tuber voor, waarvan de meeste extreem zeldzaam zijn.

    In 2010 werd ik opgebeld door iemand van de Haagse Vogelwerkgroep. Hij had een witte truffel, Tuber magnatum, opgegraven bij het controleren van boomwortels. Ze waren overheerlijk zei hij erbij. Gelukkig had hij er een paar bewaard (foto). Enigszins vreemd, want die is (nog) niet bekend uit Nederland. Ook die wou ik onder de microscoop bekijken. De verschillen met de witte waren overduidelijk, het was de bleke truffel, Tuber borchii. Volgens kenners inderdaad even lekker als de witte, maar een stuk kleiner en met duidelijk andere sporen. (foto). Het was de eerste vondst van de bleke truffel in Nederland. Omdat ik het materiaal wilde behouden voor de collectie van Naturalis, moest ik de juiste vindplaats weten, maar die wou de vinder niet geven. Nu ken ik Den Haag op mijn duimpje, ik heb er mijn jeugd doorgebracht en ben hem gaan uithoren. Op een gegeven moment wist ik waar hij hem had gevonden, binnen een straal van 5 kilometer, namelijk Loosduinen. Genoeg voor op het etiket.

    Truffels in Griekenland

    Een Facebookvriend van me gaat ieder jaar truffels zoeken in Griekenland. Samen met een commerciële paddenstoelenhandelaar, Nektarios en diens truffelhonden. Truffelhonden zijn een apart ras, Lagotto geheten. Nektarios had een keer grote ladingen truffels liggen, waarvan hij niet alle namen wist. Oh zijn mijn maat. Ik vraag wel of Hans Adema ze onder de microscoop legt. Ik kreeg dus een mailtje uit Griekenland met de vraag of ik wilde doen en zo ja, stuur me dan je adres. De volgende dag al stond er een auto van DHL voor mijn deur met een doos met truffels. Bij elkaar 9 soorten. Echter truffels hebben gestekelde sporen met een netwerk. Er was er eentje bij met elliptische gladde sporen. Die kon ik gelijk van het lijstje afstrepen, dat was geen Tuber. Wat het wel was heb ik helaas vergeten, ik heb de mail naar Nektarios helaas niet bewaard. Bleven er acht over om verder na te zoeken. Eerst de truffels sorteren, in potjes doen met nummers en vervolgens een halve week lang dag in dag uit op de studeerkamer achter de microscoop. Maar ik heb ze allemaal op naam weten te brengen! Ik zal u niet vermoeien met een lijst namen, al was het alleen maar dat ik die niet allemaalmeer weet. Maar er zaten heel wat Witte truffel, Tuber magnatum ,Wintertruffel, Tuber brumale, Zomertruffel, Tuber aestivum en uiteraard de Périgordtruffel, Tuber melanosporum bij. Ik denk dat ik voor ongeveer 1000 Euro aan truffels in de keuken had liggen. Met een briefje erbij van Nektarios, geniet ervan Hans. Het gevolg van de actie is dat ik nog steeds bevriend ben met hem. Ik wist bij God niet wat ik met al drie truffels moest doen. Ik heb met een heel goede kwaliteit olijfolie, uit respect voor de truffels, truffelolie gemaakt. En heb vervolgens ladingen van de truffels uitgedeeld. Natuurlijk heb ik er zelf een aantal soldaat gemaakt!   Vooral die verbaasde blikken bij het uitdelen. Hoe kom je in vredesnaam aan al die truffels!?

    Truffels worden gezocht met speciale honden, het ras Lagotto of truffelhond. Andere speurders gebruiken getrainde varkens. Truffels ruiken naar zeugen, voor het zoeken worden dus beren gebruikt! Heel ervaren zoekers speuren naar parasitaire truffelvliegjes vlak boven de bodem. Als er zwermen van die minuscule vliegjes te zien zijn, groeien er truffels. En truffelzoekers houden hun vindplaatsen uiteraard geheim, want het zijn natuurlijk ware schatkamers!

    Exorbitante bedragen

    Op zaterdag 1 december 2007 werd een witte truffel verkocht voor 330.000 dollar. De veiling vond plaats in Florence (Toscane) en was in Londen en Macau via een videoconferentie te volgen. Het was in de laatstgenoemde Chinese stad dat een koper voor de grote truffel werd gevonden, namelijk de Chinese zakenman Stanley Ho. De truffel werd gevonden in de buurt van Pisa. De lekkernij woog 1,497 kg, zo verklaarde de gelukkige vinder Cristiano Savini. “Ik kreeg krankzinnig hoge sommen aangeboden, bedragen van bijna 100.000 euro, maar ik wilde dat deze truffel verkocht zou worden op een veiling, zodat het bedrag naar een goed doel kan gaan.”

    In 2010 betaalde gokbaas Stanley Ho uit Macau bij een veiling in zijn eigen Grand Lisboahotel in zijn woonplaats 250.000 euro voor twee witte truffels. Hij evenaarde daarmee de prijs die hij drie jaar daarvoor voor het bezit van de paddenstoel overhad. De miljardair won voor de vierde achtereenvolgende keer de strijd om de aankoop van de paddenstoelen in zijn hotel in de gokstad. Hij verwierf een reuzentruffel uit de Italiaanse regio Toscane van 900 gram. De tweede truffel woog ongeveer 400 gram. Geen wonder dus dat truffeljagers hun vindplaatsen geheimhouden!

    Kweken en consumptie

    De laatste jaren probeert men om truffels te kweken. IN het begin waren dat eikenplantages, waar men hoopte dat er truffels in kwamen groeien. Maar geldzucht heeft ertoe geleid dan men de inferieure Chinese truffel, Tuber indicum in is gaan voeren. Die veel gemakkelijker te kweken. Helaas verwildert die nu en is een gevaar voor de dure soorten.

    Je kan truffels op vele manieren bereiden. Ik maakte er omelet met truffel. Heel populair is, met name in Zuid-Europa om truffels in kleine schijfjes te raspen en over het eten uit te strooien. Er was ooit een Nederlands echtpaar dat in Italië een restaurant binnenstapte terwijl de bediening witte truffel bij een gast op tafel raspte. Hé, zei de vrouw tegen haar man, wat ruikt het hier naar gas!

  • Natuurlijk: garnalen

    Natuurlijk: garnalen

    Twee jaar geleden werd de opening van het kreeftenseizoen van de Oosterschelde verricht door Minister Verburg van Landbouw en Visserij, samen met de commissaris van de koningin in Zeeland, Carla Peijs. De Telegraaf plaatste een foto van minister Verburg die trots twee kreeften omhoog hield. Dit was voor de Partij voor de Dieren aanleiding tot het stellen van Kamervragen. De Partij voor de Dieren wilde weten wat er met de kreeften gebeurd was…

    De vorig weekend overleden essayist Rudy Kousbroek(Pematang Siantar, Sumatra, Nederlands-Indië, 1 november 1929 – Leiden, 4 april 2010) heeft het zo mooi verwoord: kreeften hebben nu eenmaal een grote aaibaarheidsfactor (hoewel hij de term uitvond voor katten, niet voor kreeften). Als Minister Verburg met twee garnaaltjes in haar hand had gestaan, was niemand in de pen geklommen. Maar garnalen zijn exact dezelfde dieren als kreeften, met dezelfde lichaamsbouw en dezelfde organen. Alleen wat kleiner.

    Oosterscheldekreeften behoren garnalen tot de tienpotige kreeftachtigen. Ze leven op zandige bodems, waar ze zich kunnen ingraven. Het zijn roofdieren, die leven van vissenlarven, kleine wormen en andere kleine kreeftachtigen. Soms staat er aas, zoals een dode zeeman op het menu. De biologie van de Hollandse garnaal is heel apart. Een garnaal begint zijn leven als mannetje en beëindigt haar leven als wijfje. Na ongeveer een jaar voltrekt deze verandering zich in het garnalenleven. Garnalen in de winkel zijn vrijwel altijd vrouwtjes, de mannetjes zijn te klein en gaan door de mazen van de netten en zeven die gebuikt worden om ze op grootte te sorteren.

    Garnalen worden met kleine kottertjes op grote schaal langs Europese kusten gevangen. Ze worden aan boord gekookt en gekookt bij de visafslag aangevoerd. Vroeger werden ze thuis gepeld, maar om hygiënische redenen mag dat niet meer. Het thuis-pelverbod is ingesteld toen enkele decennia geleden bejaarden in een bejaardencentrum waren overleden na het eten van een garnalencocktail. Maar de doodsoorzaak had vermoedelijk te maken met de bewaarcondities. De vaardigheid van het zelf pellen is in ons land dankzij dit verbod aan het uitsterven. Na mislukte experimenten met pelmachines worden ze alsnog met de hand gepeld in pelcentra. Dat is eigenlijk te gek voor woorden. De garnalen worden vanaf de visafslag in grote vrachtwagens naar Marokko gereden en daar in pelcentra gepeld. Vervolgens worden ze gepeld en al weer terug gereden naar Nederland. Van drie kilo ongepelde garnalen houdt men 1 kilo gepelde over. Dus er gaan drie keer zo veel vrachtwagens vol heen dan dat er vol terug komen! Zelfgepelde garnalen zijn bovendien veel lekkerder. Zelf gevangen garnalen overigens nog veel lekkerder.

    Langs de kust zie je nog immer garnalenvissers die met een netje langs de eblijn lopen om een maaltje te verschalken. De vissers sorteren de dieren met een zeef op grootte, kleine worden teruggegooid of, des te vaker, verschalkt door de vele zeevogels die altijd attent aanwezig zijn. Vervolgens worden ze in zeewater gekookt. Zoetwater is uit den boze, dan verdwijnt de lekkere zilte smaak. Vervolgens gepeld en opgegeten. Zonder conservering kunnen ze niet bewaard worden, garnalen bederven erg snel. En dit is HET geheim van de heerlijke smaak van verse garnalen. Geen smaak beïnvloedende conserveermiddelen.

    Als kind lustte ik geen vis of wat er in het algemeen uit zee kwam. Op één uitzondering na, Hollandse garnalen. Daar ontkom je ook niet aan als je je jeugd op Scheveningen doorbrengt. (Als iemand tegen je zegt dat hij in Scheveningen woont, valt hij direct door de mand, dat is geen Scheveninger.) Hollandse garnalen waren bij hoogtijdagen bij ons thuis immer onderdeel van het voorgerecht. Kilo’s ongepelde garnalen werden in een mum van tijd door mijn moeder gepeld. Ook toen we naar Sassenheim verhuisden bleef garnalencocktail mijn moeders favoriete voorgerecht (mijn vader lustte helemaal niks dat uit zee kwam). Ik herinner me dat ik een keer thuiskwam en mijn moeder het boodschappenlijstje voor de kerst aan het maken was. 3 Kilo ongepelde garnalen stond er op. Waarom weet ik niet meer, maar een van mijn broers en zijn vrouw kwamen plotseling binnenvallen. “Oh”, riep mijn schoonzusje, een echte Scheveningse, “die haal ik morgen wel op Scheveningen in de haven, daar zijn ze veel goedkoper”. Het was ten tijde van de oliecrisis. “Weet je wel wat dat aan benzine kost?”, merkte een andere broer van me droogjes op…

    Nog steeds is cocktail met whiskysaus mijn favoriete wijze om garnalen te eten. Eenvoudig, ouderwets en nimmer overtroffen. Dat vonden de Leidse biologiestudenten ook die in de zomer van 1978 op marienbiologische excursie in Noorwegen waren. De bijvangst van een excursiedag leverde een overvloed aan garnalen op. “Die gaan we koken”, riepen ze tot de scheepskok. “Met whiskysaus. Is er mayonaise en tomatenketchup aan boord?”. Dat was er. Eén van de studenten liep even weg en kwam met twee flessen Glenfiddich aanwandelen. De Noorse bemanning leefde op bij het idee van een glas whisky bij de garnalen. “Niks hoor”, zei de student, “De whisky is voor de saus”. Tot ontsteltenis van de Noren verdween er een fikse scheut Glenfiddich in de saus. De student nam een lilkje saus en zei, “Nee, dit is het nog niet”. De Noren verbleekten, daar ging weer een kwart fles Glenfiddich richting saus. Eindelijk, na meer dan een fles was de saus naar believen.

    Ik moest aan dit gebeuren denken toen ik in de Engelse pub North End in Leiden in geuren en kleuren verslag deed van de opening van het kreeftenseizoen 2010. Opeens riep ik uit, “Ik ga met Pasen garnalencocktail maken, met Laphroigh”; (mijn favoriet onder de malts). Nu waren het de uitbater en een klant die verbleekten.

    “Nee”, riepen ze in koor, “niet Laphroigh, die is te overheersend, zonde van whisky, zonde van de garnalen. Je moet een zachtere nemen”. Ze dachten beiden even na, en riepen, weer in koor, “neem Highland Park, die is zachter, fruitiger, met een snufje kaneel en sinaasappel in de afdronk” – hoe heette dat verhaal van Roald Dahl ook alweer? “O.k.” zei ik, “ga ik proberen”. “Ik sponsor de whisky wel”, antwoordde de baas van North End. Hoe het smaakte moet u zelf ervaren:

    Lekker gewone ouderwetse garnalencocktail met Highland Park, 12 years.

    Ingrediënten:

    • Per persoon 50 gram garnalen
    • Sla
    • Grof zeezout
    • Citroen
    • 1 ei
    • Glazen coupe

    Ingrediënten voor de saus:

    • 1 deel mayonaise, bij voorkeur DeVosLemmens of Belze majoneis van Ton’s Mosterd uit Zierikzee. (Omdat ik niet zo veel vet wil eten (ben al dik genoeg) doe ik meestal een half deel mayo en een half deel yoghurt!, maar dat is een kwestie van smaak).<
    • 1 deel tomatenketchup
    • enkele druppels worcestersaus.
    • 1 heel fijn gesnipperd sjalotje
    • enkele druppeltjes tabasco
    • enkele druppeltjes citroensap
    • scheutje Highland Park malt whisky

    Bereiding:

    • Snipper het sjalotje heel fijn
    • Roer 1 deel tomatenketchup en 1 deel mayonaise door elkaar. Proef het en voeg naar smaak extra mayonaise of ketchup toe
    • Roer de fijngesnipperde sjalotjes er door
    • Doe er dan enkele druppels Worcestershire bij, proeven
    • Vervolgens enkele druppeltjes Tabasco, proeven. De Tabasco moet merkbaar zijn als een lichte prikkeling op de tong.
    • Vervolgens wat citroensap, weer proeven
    • En dan het belangrijkste, de Highland Park. Scheutje voor scheutje, proeven tot het nog net niet goed is. Dan een uurtje laten rusten, zodat ook de smaakpapillen tot rust zijn gekomen. Dan weer whisky toevoegen tot de smaak naar believen is.

    Serveren:

    Splits het ei (de dooier wordt niet gebruikt)

    • Draai de rand van het glas door het eiwit
    • Vervolgens door een schoteltje met grof zeezout (zo ontstaat een mooie sierrand aan het glas)
    • In het glas een paar blaadjes sla
    • Aan de rand van het glas een schijfje citroen
    • Dan de garnalen in het glas
    • Giet de saus over de garnalen
  • Natuurlijk bananen

    Natuurlijk bananen

    Wat zou het leven in de tropen voorstellen zonder bananen? Je kunt er van alles mee doen. Dakbedekking maken, van de bladvezels touw maken. De bladeren als bord gebruiken. Of om vlees boven een vuur te roosteren. En tenslotte zijn de bessen eetbaar en smakelijk. Bessen? Ik zie u al denken. Maar het is toch echt waar. Biologisch gezien zijn de vruchten van bananen bessen! Aan een bananenboom groeien bessen? Ja zeker, maar een banaan is dan ook geen boom. Het zijn kruidachtige gewassen, net zoals een kropje sla een kruidachtig gewas is. De stam van een banaan bestaat uit in elkaar gedraaide bladstelen. Zodra een banaan rijpe vruchten heeft gedragen gaat dit deel van de plant dood, het groeit niet als een boom door. Dat doodgaan is niet erg, want als de bananen beginnen te groeien vormt het wortelstel nieuwe uitlopers voor de volgende oogst. Maar meestal worden de bananen, zeker voor de export, geoogst voor de plant dood is. Ze zijn nog groen en worden groen over de wereld verscheept om in rijpingshuizen na te rijpen, onder invloed van acyteleengas. Rijp worden ze wel, maar niet zoet en sappig.

    Lang, lang geleden arriveerde ik als jong biologiestudentje in Leiden. Bij het kennismaken met medestudenten kwam ik oog in oog te staan met een beeldschoon Surinaams-Hindoestaans meisje, Shanti geheten. Ik was op slag van slag. Bij het derde practicum lukte het mij een plekje naast haar in de practicumzaal te versieren. Op een dag bracht ik een zak bananen mee, die ik op de markt gekocht had voor bij de lunch. “Hans”;, zei ze met stemverheffing, “Ik snap niet dat jullie die meelbalen in Nederland lusten!” Ik keek haar verbaasd aan. Van het kunstmatige rijpingsproces wist ik nog niets.

    Jaren later – met het meisje was het niks geworden, als dochter van een minister volstrekt onbereikbaar voor me… – werd ik medewerker van de Hortus botanicus in Leiden. In de kassen groeien bananen. Zodra er een rijpe tros bananen is, wordt de plant omgehakt. Doe je dat niet dan bestaat de kans dat hij spontaan omvalt. Ook al is het een kruid, hij kan een bezoeker van de Hortus aardig verwonden, een hersenschudding is het minste als de plant op je hoofd valt. Om de bananen wordt vervolgens gevochten. Toen ik mijn eerste Hortusbanaan proefde wist ik wat Shanti in mijn eerste jaar met “meelbalen” bedoelde. Er ging een wereld voor me open. Sindsdien sta ik vooraan als de bananen rijp zijn.

  • Natuurlijk: lof op de brandnetelclass

    Natuurlijk: lof op de brandnetelclass

    Foto: Hans Adema.

    De brandnetel heeft geen nadere introductie nodig. Op zijn zachtst gezegd zijn brandnetels niet de meest geliefde tuinplant. Verre van mooi, woekeren op plekken waar je brandnetels nou juist niet wil hebben en prikken nog bovendien. Wil je brandnetels wieden dan ben je dagen bezig de al maar vertakkende, taaie, ruwe wortelstokken uit te trekken. Die als maar breken en weer uitlopen, zodat je een jaar later opnieuw kunt beginnen.

    Toch hebben brandnetels hun goede zijde. Meer dan één zelfs. De brandnetel (Urtica dioica) is een multi-purpose plant. Het is daarom altijd nuttig om een hoekje in de tuin te hebben waar de brandnetels gecontroleerd mogen groeien. Gecontroleerd is niet eens zo moeilijk: eens om de paar weken met een tuinschaartje stengels afknippen.

    Om te beginnen is de brandnetel de waardplant, de voedselplant van de rupsen van enkele tientallen soorten Nederlandse vlinders, zoals de atalanta, de distelvlinder, de kleine vos, de dagpauwoog, de grote vos, de gehakkelde aurelia, het landkaartje, de gamma-uil, de huismoeder en de grote beer. Alleen al hiervoor kunt u met brandnetels van uw tuin een klein natuurreservaat maken.

    Maar brandnetels dienen ook de mens. Van de stugge vezels van de stengels en wortels werd in vroeger dagen een sterk weefsel gemaakt, neteldoek. Neteldoek is onmisbaar bij het maken van echte boerenkaas. Maar er werd ook kleding van gemaakt, waaronder zelfs bruidsjurken! Helaas is echte neteldoek vandaag de dag erg zeldzaam en kostbaar. En dat terwijl de grondstof overvloedig en gratis in de natuur verkrijgbaar is. Als je afbeeldingen van neteldoek op internet zoekt, blijkt dat in vrijwel alle gevallen katoen te zijn.

    Laat je brandnetels enkele weken rotten in een teil met water dan ontstaat er een doeltreffend insecticide tegen bladluizen. Je kunt het als gietwater gebruiken, maar ook over de planten spuiten. Wel een beetje je neus dichtknijpen want erg lekker ruikt het niet. De brandnetel is ook geneeskrachtig. Thee getrokken van jonge brandneteltoppen helpt tegen roos en tegen pijn bij reuma. Ook zou het kaalheid tegengaan, maar daar heb ik geen eenduidig bewijs voor kunnen vinden. Reuma werd ook op een andere manier bestreden met brandnetels. Reumaleiders sloegen zich bont- en blauw met bundels uitgegroeide brandnetels. De gifstof van brandnetels, mierenzuur, helpt de pijn van de reuma of jicht te verzachten (ga ik toch eens proberen bij mijn volgende jichtaanval…). Deze enigszins ruwe therapie heeft een aparte naam: Urticatie!

    Ook culinair staan brandnetels hun mannetje. De planten zijn rijk aan ijzer, kalium, vitamine C, et cetera. En aan bladgroen, chlorofyl. Chlorofyl dat aan voedingsmiddelen wordt toegevoegd (E 140) is in de meeste gevallen van brandnetels, vanwege de gemakkelijk te verkrijgen en gratis grondstof.

    In grote delen van Engeland is bier gebrouwen van brandnetel populair, vooral aan het begin van de zomer omdat het een verfrissende, licht alcoholische dorstlesser is. Brandnetelkaas is wel de bekendste toepassing. Boeren-brandnetelkaas met een glas goede rode wijn is aan het begin van de herfst, het liefst bij de open haard – maar die heb ik niet – niet te versmaden.

    De jonge toppen van brandnetels zijn op diverse manieren in de keuken te gebruiken. Heel jonge, die nog geen brandharen hebben, kunnen rauw gegeten worden als salade, maar dat heb ik voor de zekerheid nog nooit geprobeerd. Gestoofd en geserveerd met een klontje roomboter doet brandnetel denken aan spinazie. En tot slot kan je er een overheerlijke soep van maken.

    Van de vele recepten voor brandnetelsoep heb ik gekozen voor daT uit ‘Puur Natuur op tafel’ van Roger Phillips, alleen heb ik de koffieroom vervangen door slagroom, omdat ik dat lekkerder vind. Reeds lang is het boek van Phillips niet meer in de handel, maar kom je het tegen op een rommel- of boekenmarkt: Kopen!

    Ingrediënten:

    • 1 grote ui
    • 1 teentje knoflook
    • 2 aardappelen
    • Olijfolie
    • Zout
    • Peper
    • 1 grote bos jonge brandnetelscheuten (naar smaak)
    • 1,5 dl slagroom

    Bereiding:

    • Pel de ui en knoflook, schil de aardappelen en snijd alles zeer fijn. Fruit dit alles in de olijfolie.
    • Knip met een schaar (handschoenen!) de blaadjes van de stelen van de brandnetel en was ze. Doe ze in de pan bij het gefruite mengsel en vul de pan aan met ongeveer 1 liter water.
    • Kook de soep 15 minuten tot de aardappelen gaar zijn. Meng de soep in een blender, doe terug in de pan en breng op smaak met zout en peper.
    • Giet de soep in een terrine en roer de room er door (niet meer laten koken anders schift de room).