Waarom je in steeds meer sterrenrestaurants niet meer zelf mag kiezen wat je eet, maar verplicht wordt deel te nemen aan een culinair programma waar je vooral veel voor betaalt. Over verplichte verrassingsmenu’s, gastronomische gehoorzaamheid en foodie-zelfbedrog.
Er was een tijd dat je in een restaurant een menukaart kreeg.
Daar stonden gerechten op. Je las wat je lekker vond, koos een voorgerecht, een hoofdgerecht en eventueel een dessert. De ober noteerde je bestelling en de kok ging aan het werk.
Een prachtig systeem.
Het heette gastvrijheid.
Maar in steeds meer sterrenrestaurants is dat ouderwetse gebruik afgeschaft. Daar krijg je tegenwoordig geen menukaart meer, maar een mededeling.
“Wij serveren uitsluitend ons achtgangenmenu.”
Pardon?
“Iedere avond neemt onze chef u mee op een culinaire ontdekkingsreis.”
Dat klinkt prachtig. Alleen heb ik helemaal geen reis geboekt. Ik wilde gewoon lekker eten.
En bij voorkeur zelf bepalen wat.
Afbeelding gegenereerd met AI.
De chef is tegenwoordig de baas
Vroeger was de klant koning. Tegenwoordig is de chef een soort culinair dictator met een pincet.
Hij bepaalt wat je eet, hoeveel je krijgt, in welke volgorde en hoelang je daarover doet.
Je mag nog net zelf kiezen of je plat of bruisend water wilt.
Hoewel ik vermoed dat ook die vrijheid binnenkort verdwijnt.
“Onze sommelier heeft voor u een zorgvuldig opgebouwd waterarrangement samengesteld.”
Voor slechts negenentwintig euro vijftig.
Exclusief bruis.
Het verplichte menu wordt natuurlijk verkocht als een unieke gastronomische ervaring.
De chef wil zijn verhaal vertellen.
Dat begrijp ik.
Maar waarom moet ik daar zes uur naar luisteren terwijl ik eigenlijk gewoon trek heb in gebakken zeetong?
En een goede chef verdient een fatsoenlijke beloning.
Maar het vaste menu heeft voor het restaurant ook bijzonder aantrekkelijke voordelen.
De keuken weet precies wat er bereid moet worden. De inkoop wordt overzichtelijker, verspilling kan worden beperkt en de personeelsplanning wordt eenvoudiger.
Allemaal uitstekend.
Alleen wordt dat bedrijfseconomische gemak aan tafel gepresenteerd als een artistieke noodzaak.
“Onze chef wil u zijn volledige culinaire visie laten ervaren.”
Vertaling:
Wij koken vanavond voor iedereen hetzelfde.
En u betaalt ervoor.
Het mooiste is dat het achtgangenmenu vaak begint bij honderdvijftig euro, waarna de wijnarrangementen, het aperitief, het water en de koffie nog moeten komen.
Voor je het weet heb je tweehonderdvijftig euro uitgegeven aan een avond waarop niemand heeft gevraagd waar je eigenlijk zin in had.
Dat noemen we tegenwoordig beleving.
Vroeger heette dat gewoon duur uit eten.
Afbeelding gegenereerd met AI.
De culinaire gijzeling
Het probleem is niet dat een chef een prachtig menu samenstelt.
Integendeel.
Een goed opgebouwd menu kan fantastisch zijn. Smaken versterken elkaar, gerechten volgen elkaar logisch op en de keuken laat zien wat ze in huis heeft.
Maar waarom moet dat verplicht?
Waarom mag iemand die alleen een mooie tarbot wil eten niet gewoon een mooie tarbot bestellen?
Omdat dat niet past binnen het concept.
Het concept!
Dat is tegenwoordig het heiligste woord in de gastronomie.
De klant moet zich aanpassen aan het concept.
Niet andersom.
Je zit dus om halfelf ’s avonds nog te wachten op gang zeven: een minuscuul stukje duif met gefermenteerde dennennaalden en een saus van iets wat drie weken onder de grond heeft gelegen.
En iedereen knikt bewonderend.
Want niemand wil toegeven dat hij inmiddels liever een uitsmijter zou bestellen.
Afbeelding gegenereerd met AI.
Foodie-zelfbedrog
Het wonderlijkste vind ik de klanten die dit allemaal geweldig noemen.
“Wat een fantastische reis door de smaken!”
Welke reis?
Je hebt vier uur op een stoel gezeten en negen keer een ober zien aankomen met een bord waarop minder lag dan op een gemiddeld proeflepeltje.
Maar omdat er een Michelinster boven de deur hangt, durft niemand te zeggen dat hij liever zelf had gekozen.
Dat zou immers getuigen van onvoldoende gastronomisch inzicht.
Dus glimlachen we.
We bewonderen de schuimpjes.
We fotograferen de kruimels.
En we vertellen de volgende ochtend dat het een onvergetelijke ervaring was.
Dat klopt.
Vooral de rekening vergeet je niet.
Afbeelding gegenereerd met AI.
De rekening is wél à-la-carte
Begrijp me goed.
Ik bewonder chefs die met vakmanschap, creativiteit en goede producten iets bijzonders neerzetten.
Maar echte gastvrijheid begint niet bij de visie van de chef.
Die begint bij de wensen van de klant.
Geef mij daarom gewoon weer een menukaart.
Met keuzes.
Met gerechten.
En met de mogelijkheid om na twee gangen tevreden naar huis te gaan.
Want als ik honderdvijftig euro moet betalen om verplicht te eten wat iemand anders voor mij heeft bedacht, dan noem ik dat geen culinaire vrijheid.
Dan noem ik dat een gastronomisch abonnement zonder opzegmogelijkheid.
En het ergste?
Bij de rekening mag je ineens wél zelf kiezen.
Of je vijftien, twintig of vijfentwintig procent fooi wilt geven.
Vergeet even Parijs en Monet. In Luik ontdek je hoe Belgische kunstenaars mee de Europese kunstgeschiedenis veranderden. Met bijna 150 meesterwerken onthult La Boverie een verrassend verhaal over licht, kleur en artistieke rebellie.
Algemeen overzicht. Foto: Anne Marie Jacob.
Wie impressionisme zegt, denkt spontaan aan Frankrijk, Claude Monet en zijn beroemde schilderij Impression, soleil levant uit 1872. Maar wist je dat ook België een belangrijke rol speelde in de geboorte en ontwikkeling van deze vernieuwende kunststroming? Vanaf 9 oktober 2026 nodigt museum La Boverie in Luik je uit om die minder bekende kant van de kunstgeschiedenis te ontdekken met de tentoonstelling Het impressionisme, een Belgisch verhaal.
De expo vormt een van de culturele blikvangers van het najaar en is extra bijzonder omdat La Boverie zijn tiende verjaardag viert. Bijna 150 meesterwerken uit Belgische en internationale collecties brengen Franse impressionistische grootmeesters en Belgische vernieuwers samen. Ook werken uit het Musée d’Orsay en het Petit Palais in Genève maken deel uit van deze artistieke ontdekkingstocht.
Detail vissersvrouwen. Foto: Anne Marie Jacob.
Toen Belgische kunstenaars de regels doorbraken
In de tweede helft van de negentiende eeuw was België een jonge, economisch bloeiende natie. Ook in de kunstwereld waaide een frisse wind. Kunstenaars keerden zich af van de strenge academische regels en zochten naar een vrijere, modernere beeldtaal.
Nieuwe kunstenaarsverenigingen en onafhankelijke tentoonstellingen boden ruimte aan experiment. De Société Libre des Beaux-Arts werd opgericht in 1868, gevolgd door de vernieuwende kunstenaarsgroep Les XX in 1884. Het tijdschrift L’Art Moderne verspreidde de ideeën van deze avant-garde.
Zo ontstond in België een eigenzinnige vorm van impressionisme. Terwijl Franse schilders vaak experimenteerden met zuivere kleuren, legden Belgische kunstenaars meer nadruk op licht en de herkenbare werkelijkheid. Daarbij bouwden ze voort op de rijke lokale schildertraditie.
Anna Boch Moisson-en-Flandre. Foto: Anne Marie Jacob.
Van landschappen tot explosies van kleur
De tentoonstelling neemt je mee door vijf fases van artistieke vernieuwing. Je ontdekt hoe de School van Tervuren het landschap uit de achtergrond haalde en tot een zelfstandig kunstonderwerp maakte. Daarna volgt de bloeiperiode van het Belgische impressionisme in de jaren 1880.
Ook het neo-impressionisme krijgt een prominente plaats. Onder invloed van Georges Seurat en zijn pointillisme gingen kunstenaars experimenteren met kleur en licht. Rond de eeuwwisseling groeide vervolgens het luminisme, met Emile Claus als een van de belangrijkste vertegenwoordigers. Zijn schilderijen tonen hoe licht een hoofdrol kan spelen in de beleving van een landschap.
Aan het begin van de twintigste eeuw zorgde het fauvisme voor een nieuwe explosie van kleur. In België kreeg deze stroming een eigen gezicht met het Brabantse fauvisme, waarin Rik Wouters een centrale plaats inneemt.
Rik Wouters. Foto: Anne Marie Jacob.
Een culturele uitstap die blijft verrassen
La Boverie kijkt verder dan schilderkunst alleen. Ook prentkunst, literatuur en picturalistische fotografie tonen hoe kunstenaars in verschillende disciplines experimenteerden met de moderne wereld. De vernieuwende scenografie maakt de tentoonstelling toegankelijk voor zowel kunstliefhebbers als nieuwsgierige bezoekers.
Het impressionisme, een Belgisch verhaal biedt daarmee een originele aanleiding voor een culturele uitstap naar Luik. Je ontdekt niet alleen bekende Franse meesters, maar leert ook hoe Belgische kunstenaars hun eigen stempel drukten op een van de invloedrijkste kunststromingen van Europa.
Praktisch: de tentoonstelling loopt tot en met 29 maart 2027 in museum La Boverie, Parc de la Boverie 3 in Luik. Het is een co-productie van La Boverie en Tempora en vormt een uitgelezen kans om kunst, cultuur en een ontdekkingstocht door de geschiedenis te combineren. Algemene informatie over openingsuren en tarieven:expo-impressionnisme.com – persinfo@caracascom.com
Noordzeekrab met waterkers uit Lauw, vlierbloesem en gerookte forel van de Voerstreek. Of nog: snoekbaars, peer uit Haspengouw, peterselie, mierikswortel en koolrabi. Maar even goed, knapkoek van Maaseik, ijs, abrikoos, rijstpap en sabayon. Gelardeerd met wijnen van het Wijnkasteel Genoelselderen, Van het Veld Cuvelier Borgloon en Gloire de Duras uit Sint-Truiden. Het moge duidelijk zijn, op het banket Vlaams Culinair Erfgoed worden klassiekers gebracht, maar met een moderne twist. Geen tierelantijntjes, maar mooie producten die voor zichzelf spreken.
Foto: Annelies Stinissen (HLN).
Het Vlaamse culinaire erfgoed kreeg onlangs een feestelijke hoofdrol tijdens het Gala van het Vlaams Culinair Erfgoed. In het vijfsterrensuperiorhotel La Butte aux Bois in Neerharen schoven 135 gasten aan voor een gastronomische avond die volledig in het teken stond van vergeten ingrediënten, authentieke smaken en eeuwenoude streektradities.
Tijdens een verfijnd vijfgangenmenu gingen topchefs aan de slag met authentieke Vlaamse producten. De gerechten werden geserveerd door leerlingen van de derde graad van de hotelschool uit Herk-de-Stad. De avond was een initiatief van Foodtaster, dat het rijke culinaire verleden van Vlaanderen opnieuw onder de aandacht wil brengen en voorkomen dat bijzondere streekproducten en recepten voorgoed verdwijnen.
Foto: Annelies Stinissen (HLN).
“Ken jij bijvoorbeeld hopscheuten, een Vlaamse delicatesse die steeds zeldzamer wordt? Of de Mechelse krombek en de Mesavooi uit Sint-Katelijne-Waver, de Broechemse kers of de Opaalpruim? Ze dreigen stilaan te verdwijnen”, zegt François Huysmans van Foodtaster. “Zo heeft elke gemeente of streek zijn eigen specialiteiten, vaak met verhalen die generaties lang worden doorgegeven. Die moeten we niet alleen bewaren, maar vooral opnieuw laten beleven. Met chefs, ambachtslui en lokale producenten willen we oude recepten herontdekken en ze op een hedendaagse manier brengen. Met het nodige chauvinisme, zoals dat ook in onze buurlanden gebeurt.”
Foto: Annelies Stinissen (HLN).
Koken met passie
Hoogtepunt van de avond was de uitreiking van twee Lifetime Achievement Awards van het Vlaams Culinair Erfgoed. Die eer ging naar Alex Clevers, veertig jaar lang de bezieler van sterrenrestaurant Vivendum in Dilsen-Stokkem, en Carl Wens, die maar liefst vijftig jaar lang De Pastorie in Lichtaart uitbouwde.
“Ik ben verwonderd, maar vooral zeer gecharmeerd door de manier waarop Foodtaster ons erfgoed in de kijker zet”, reageerde Wens. “Het is een mooie bekroning op mijn werk. Ik startte op mijn veertiende in de keuken en intussen zet mijn zoon Wout de zaak verder. Hij heeft zijn eigen visie, maar ik heb er alle vertrouwen in.”
Ook voor Clevers kwam de onderscheiding onverwacht. “Dit ere-ambassadeurschap is fantastisch. De titel komt als een verrassing, maar is vooral een grote waardering voor onze jarenlange inzet.”
Clevers geeft Vivendum intussen door aan zijn rechterhand Niels Geven. Helemaal afscheid nemen doet hij nog niet. “Voorlopig blijf ik twee dagen per week meewerken en geef ik advies wanneer dat gewenst is. Daarnaast ga ik pendelen naar ons charmante huis Casa Alma in Sicilië, waar ik kooksessies zal geven.”
Er bestaat in een restaurant een wonderlijk natuurverschijnsel.
Je zit met vier mensen aan tafel en iedereen heeft ergens iets op aan te merken.
De saus was lauw.
De zeebaars iets te ver.
Het hoofdgerecht vooral erg klein.
En bij gang zes vroeg iemand voorzichtig of er misschien nog brood was.
Dan verschijnt de chef.
En plotseling heeft iedereen fantastisch gegeten.
Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI.
Daar komt hij
Je ziet hem al aankomen.
Witte koksbuis.
Schort.
Vermoeide maar voldane blik van iemand die vanavond persoonlijk 73 coquilles heeft gered van een zinloos bestaan.
‘Goedenavond, alles naar wens?’
Dit is natuurlijk geen echte vraag.
Niemand verwacht dat je zegt:
‘Nu u er toch bent: die tarbot was droog en volgens mij probeert uw keuken sinds half negen dezelfde drie asperges over zes tafels te verdelen.’
Nee.
We glimlachen.
‘Fantastisch!’
De man naast je, die drie minuten geleden nog zei dat zijn vlees de structuur van een yogamat had, knikt enthousiast.
‘Echt héél bijzonder.’
Kijk.
Daar begint het.
Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI.
Kritiek verdampt bij oogcontact
Restaurantkritiek is een opmerkelijk vluchtige stof.
Aan tafel zonder personeel is iedereen culinair recensent.
‘Te zout.’
‘Te zuur.’
‘Veel te veel boter.’
‘Ik snap dat schuim niet.’
Maar zodra iemand van de keuken naast de tafel staat, veranderen we in ambassadeurs.
‘Prachtige smaken.’
‘Heel verfijnd.’
‘Mooie balans.’
Balans is daarbij een uitstekend noodwoord.
Je hoeft niet te weten wat er in balans was.
Misschien de vis.
Misschien de rekening.
Misschien het restaurant op de rand van faillissement.
Maar het klinkt betrokken.
Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI.
De chef wil details
Gevaarlijk wordt het wanneer de chef niet meteen weggaat.
‘Wat vond u het mooiste gerecht?’
Verdorie.
Nu moet er bewijs komen.
Iedereen kijkt naar elkaar.
Welke gang was dat met die groene saus?
Was dat de snoekbaars?
Of de knolselderij?
Iemand zegt:
‘Die gang met dat krokante element.’
Briljant.
Er zat gedurende de avond vrijwel zeker ergens iets krokants tussen.
De chef knikt.
‘Ah, de zwezerik.’
Natuurlijk.
De zwezerik.
Die bedoelden wij allemaal.
‘Fenomenaal.’
Tien minuten geleden noemde iemand hem nog een gepaneerde stressbal.
Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI.
Dan komt het verhaal
Maar de chef is nog niet klaar.
Hij vertelt dat de wortel 48 uur is gefermenteerd.
De saus drie dagen is gereduceerd.
De duif afkomstig is van een boer die zijn dieren waarschijnlijk persoonlijk voorleest.
En de kruiden vanmorgen om 06.17 uur zijn geplukt.
Nu kun je onmogelijk nog zeggen dat je de duif eigenlijk wat taai vond.
Daar zit inmiddels zoveel arbeid, filosofie en landbouwromantiek achter dat kritiek bijna respectloos voelt.
Dus neem je nog een slok wijn.
Je knikt.
‘Dat proef je.’
Ook uitstekend.
Dat proef je.
De vier veiligste woorden van de gastronomie.
De vraag die nooit gesteld wordt
Eigenlijk zou de chef iets anders moeten vragen.
Niet:
‘Heeft het gesmaakt?’
Maar:
‘Wat hebben jullie vijf minuten geleden over mijn eten gezegd?’
Dán wordt het interessant.
Dan zouden restaurants ineens heel andere gesprekken krijgen.
‘Nou chef, aangezien u het vraagt: we vonden gang vier nogal zout, de saus bij de vis was lauw en niemand begreep waarom er een blaadje op het dessert lag dat naar kamerplant smaakte.’
Daar heeft een keuken iets aan.
Maar dat gesprek voeren we niet.
Wij zeggen:
‘Fantastische avond.’
De chef zegt:
‘Wat fijn om te horen.’
En iedereen kan tevreden verder leven.
Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI.
Samen teleurgesteld
Misschien is dat uiteindelijk wel de mooiste sociale functie van uit eten gaan.
We liegen niet echt.
We passen de waarheid alleen tijdelijk aan de omstandigheden aan.
Onder elkaar kan een gerecht tegenvallen.
Maar zodra de maker verschijnt, wordt het culinair erfgoed.
Dus wanneer de chef de volgende keer aan mijn tafel verschijnt en vraagt:
‘Alles naar wens?’
zal ik hem aankijken.
Ik zal denken aan de lauwe saus.
Aan de taaie duif.
Aan het brood waar we drie keer om moesten vragen.
En ik zal zeggen:
‘Fantastisch. Echt een prachtige balans.’
Daarna vertrekt hij tevreden richting de volgende tafel.
In Immaculata volgen we vier slachtoffers tijdens de nacht en de dag vóór een gruwelijke aanval op hun middelbare school. Stijn Devillé en Adriaan Van Aken actualiseerden hiervoor een eerdere editie uit 2004. Het resultaat is een indrukwekkend toneelstuk dat een extreem gewelddadig verhaal vertelt, zonder het geweld zelf te tonen.
Een gewone schooldag. Een Vlaamse stad. Vier jongeren die nietsvermoedend hun leven leiden.
Foto: HNS Immaculata.
Op een zonnige, doordeweekse ochtend halen twee leerlingen van een brave, onopvallende middelbare school in een Vlaamse provinciestad tijdens de middagpauze wapens uit hun boekentas. In de schoolbibliotheek en de refter richten ze een bloedbad aan. Leerlingen en leerkrachten worden meedogenloos neergeschoten. Het toneelstuk confronteert je echter niet alleen met de schokkende gebeurtenis zelf, maar vooral met de mensen die tot dan toe nietsvermoedend hun leven leiden: mensen die gewoon leven, dromen, lachen en plannen maken.
Foto: HNS Immaculata.Foto: HNS Immaculata.
Deville en Van Aken kiezen bewust voor vier herkenbare archetypen: het mooie meisje, de sportieve jongen, de sukkel en het buitenbeentje. Daarmee tonen ze hoe dun de grens tussen dader en slachtoffer soms kan zijn. Volgens de makers ligt het profiel van beide groepen soms veel dichter bij elkaar dan we geneigd zijn te denken.
Een herbewerking van een editie uit 2004
Het stuk werd in 2004 geschreven door Stijn Devillé en Adriaan Van Aken. Voor hun voorstelling lieten ze zich inspireren door waargebeurde schietpartijen op scholen in de Verenigde Staten, zoals Columbine (1999), en in Europa, zoals Erfurt (2002). Om het stuk te actualiseren, schreven ze in 2026 een nieuwe versie waarin ze bovendien expliciet een link leggen met online haat en radicalisering.
Aan het woord: vier tieners die de aanslag niet zullen overleven
Foto: HNS Immaculata.
Immaculata vertelt het verhaal van vier jongeren tijdens de laatste nacht en ochtend van hun leven. We maken kennis met hun geluk en ongeluk, hun verwachtingen en teleurstellingen, hun verliefdheden en afwijzingen. Ook onzekerheid, frustraties en het gevoel minderwaardig te zijn, komen aan bod. Het zijn herkenbare emoties en situaties die de personages menselijk en dichtbij maken. Terwijl hun levens zich langzaam ontvouwen, groeit bij het publiek het besef dat deze ogenschijnlijk gewone momenten zullen uitmonden in iets onomkeerbaars.
Je ziet het bloed niet, maar je voelt het
Foto: HNS Immaculata.Foto: HNS Immaculata.
De voorstelling hanteert een ritmische, bijna filmische vertelstijl die het geweld vooral suggereert in plaats van het letterlijk te tonen. Geen nepbloed of uitgebreide psychologische verklaringen, maar een dreiging die wordt opgebouwd door muziek, ritme en suggestie. Met zeer weinig middelen worden verrassend veel beelden opgeroepen. De muziek versterkt daarbij de spanning en ondersteunt de emoties van de personages. Juist doordat het geweld niet rechtstreeks wordt getoond, krijgt de verbeelding van het publiek alle ruimte. Je ziet het bloed niet, maar je voelt het.
Een stuk dat beklijft
Zoals de meeste theaterstukken van Het Nieuwstedelijk is Immaculata een voorstelling die nog een tijd blijft nazinderen. Zonder met opgeheven vinger te wijzen, zet het stuk je aan het denken over de wereld waarin jongeren vandaag opgroeien en over hoe dicht gewone levens soms bij iets onvoorstelbaars kunnen komen. Vooral het sterke acteerwerk van de vier jonge acteurs valt op. Mathisse De Sutter, Lena Devillé, Omar Ouali en Polly Zuydwijk brengen hun personages met veel overtuiging en weten hun emoties op een geloofwaardige manier over te brengen. Juist door hun natuurlijke spel voelt het verhaal niet veraf of abstract aan, maar komt het verrassend dichtbij. Immaculata is daardoor een voorstelling die niet alleen indruk maakt tijdens het kijken, maar ook daarna nog in je hoofd blijft hangen.
Tekst: Stijn Devillé & Adriaan Van Aken Regie: Sara Vertongen, die in de oorspronkelijke productie zelf meespeelde, neemt nu de regie voor haar rekening. Muziek: Jip Arickx en Frauke Van Havermaet Spelers: Mathisse De Sutter, Lena Devillé, Omar Ouali en Polly Zuydwijk
Hoei kennen we vooral van zijn indrukwekkende fort, maar achter die blikvanger schuilt een stad die veel meer te bieden heeft. Langs de Maas ontdekken we kronkelende straatjes, historische plekken en verrassende verhalen. En op amper zeven kilometer wacht in Wanze een groene oase waar we twee dagen later helemaal ontspannen huiswaarts keren.
Foto: Frans Oyen.
Hoe boeiend oude steden ook zijn, na uren ronddwalen door historische straten snakken we naar ruimte, groen en stilte. Voor die combinatie hoeven we in Hoei niet ver te zoeken. Op aanraden van Visit Wallonia trokken we na ons stadsbezoek naar Terres du Val, amper zeven kilometer buiten de stad. Daar wacht ons veel meer dan een hotel: een bijzondere plek midden in een uitgestrekt landschap, waar landbouw, druiventeelt en natuur hand in hand gaan met gastronomie, wellness en golf. Maar eerst : Hoei verkennen.
Gratis parkeren en andere meevallers
Foto: Frans Oyen.
Een eerste meevaller bij het binnenrijden in Hoei is dat de stad over heel wat gratis parkeerplaatsen beschikt, iets waar we in Vlaanderen alleen maar van kunnen dromen. Een tweede verrassing: na onze autorit hoeven we niet meteen een café op te zoeken voor een sanitaire stop. Naast de toeristische dienst vinden we een kraaknet openbaar toilet – ook dat is in Vlaanderen niet vanzelfsprekend.
In het toeristisch kantoor wacht een gids ons op. Daar ontdekken we meteen nog een derde meevaller: ook wie de stad liever op eigen houtje verkent, komt hier aan zijn trekken. De toeristische dienst heeft een ruim aanbod aan brochures en wandelingen, sommige gratis, andere betalend. Zo kun je Hoei ook zonder gids op eigen tempo leren kennen.
Een gotische collegiale kerk met een prachtig roosvenster
De eerste blikvanger die onze gids Jeanine ons toont, is meteen een van de pronkstukken van Hoei: de indrukwekkende gotische collegiale kerk, pal tegenover het toerismekantoor. Hoog boven de stad trekt vooral Li Rondia de aandacht, het enorme gotische roosvenster dat al sinds 1508 de westelijke gevel siert. Met zijn indrukwekkende afmetingen behoort het tot de grootste gotische roosvensters van België en is het een van de vier wonderen van Hoei. Helaas kunnen we de kerk vandaag niet vanbinnen bewonderen, want ze is uitzonderlijk gesloten. Ter gelegenheid van de zevenjaarlijkse Fêtes Septennales, de eeuwenoude feesten rond Notre-Dame de la Sarte, loopt er momenteel een tijdelijke tentoonstelling met kostbare religieuze kunst. Om die collectie te beschermen, blijven de deuren gesloten voor gewone bezoekers. Daardoor moeten we ook de crypte, waar bijzondere kunstvoorwerpen worden bewaard, aan ons voorbij laten gaan. Jammer natuurlijk, maar het geeft ons meteen een goede reden om nog eens naar Hoei terug te keren. Want hoeveel moois er achter die gesloten deuren schuilgaat, kunnen we vandaag alleen maar vermoeden.
Een gezellige markt, kronkelend straatjes, oude gebouwen, resten van de omwalling
Vanaf de collegiale zetten we onze wandeling verder naar het oude hart van Hoei. Drukke verkeersaders maken plaats voor kronkelende straatjes en smalle steegjes. Achter natuurstenen gevels en verweerde deuren lijkt de geschiedenis nog overal aanwezig, al moet je soms even omhoog kijken om haar te ontdekken. Uiteindelijk komen we uit op de Grand-Place, het vroegere marktplein en vandaag het levendige hart van de stad. Historische huizen uit de 17de en 18de eeuw omringen er het statige stadhuis uit 1766.
Het is een zonnige najaarsdag en de terrassen van de vele cafés en restaurants zitten goed vol. De stad geniet zichtbaar van de laatste mooie dagen van het seizoen.
Li Bassinia,één van de vier wonderen van Hoei
Foto: VisitHuy.
Midden op de Grote Markt staatLi Bassinia, een bronzen fontein uit 1406 en een van de vier ‘wonderen’ van Hoei. Rond het bassin staan vier figuren, met daarboven de Cwèrneû, de beroemde hoornblazer van de stad. Bijzonder is dat het bassin vandaag nog altijd gevoed wordt door bronwater uit de wijk Sainte-Catherine. Dat maakt ons meteen nieuwsgierig naar de twee resterende ‘wonderen’ van Hoei. We vragen het aan onze gids.
De twee andere ‘wonderen’ van Hoei
Foto: Frans Oyen.
Het derde wonder is Li Tchestia, de indrukwekkende citadel die hoog boven Hoei en de Maas uittorent, beter bekend als het Fort van Hoei.
Het fort werd gebouwd tussen 1818 en 1823 – tijdens de Nederlandse periode – op de plaats van oudere versterkingen. Het is een plek met een lange en bewogen geschiedenis en een monument dat niet mag ontbreken op het lijstje van wie Hoei bezoekt.
Foto: Frans Oyen.
Het vierde wonder, Li Pontia, kunnen we helaas niet meer bewonderen. Het was de middeleeuwse stenen brug die de oude stad met de overkant van de Maas verbond. Ze werd rond 1300 gebouwd en was eeuwenlang een belangrijke verbinding voor de stad. Maar in 1914 werd de centrale boog opgeblazen. Later kwam de huidige Pont Roi Baudouin in de plaats van de oude brug. Van Li Pontia rest vandaag dus alleen nog de herinnering.”
Gemeentelijk museum
Foto: VisitHuy.
Wie het verhaal van Hoei echt wil begrijpen, kan niet voorbijgaan aan het Gemeentelijk Museum in het voormalige klooster van de Minderbroeders.
In de tien zalen ontdekken we een verrassende verzameling: schilderijen en kunstvoorwerpen, maar ook archeologische vondsten, oude ambachten, volkskundige voorwerpen en sporen van het industriële verleden van Hoei. Vooral de vondsten uit de Merovingische periode en de reconstructies van historische interieurs laten zien hoe de Hutois vroeger leefden, werkten en woonden.
Foto: VisitHuy.
Een van de blikvangers is de Beau Dieu de Huy, een prachtig houten Christusbeeld uit omstreeks 1240 en een van de opmerkelijke middeleeuwse beeldhouwwerken uit de Maaslandse kunst.
Een rivier die je amper ziet, heeft de stad eeuwenlang gevormd
Foto: VisitHuy.
Wie door het centrum van Hoei wandelt, vermoedt nauwelijks dat er onder zijn voeten een rivier stroomt. De Hoyoux, die vanuit de Condroz naar Hoei afdaalt, verdwijnt in de stad grotendeels onder de grond en mondt uiteindelijk uit in de Maas. Toch is de rivier onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Hoei. Het snelstromende water leverde eeuwenlang de kracht voor molens, smederijen en andere nijverheden en gaf zo mee vorm aan de economische ontwikkeling van de stad. De oude stad groeide langs de Hoyoux, waardoor de rivier niet alleen voor bedrijvigheid zorgde, maar ook mee aan de basis lag van het historische Hoei.
Sinds 2024 opnieuw een kabelbaan
Foto: Frans Oyen.
Een ritje met de kabelbaan is al decennialang onlosmakelijk verbonden met Hoei. De Téléphérique des Vallées werd in 1957 geopend en was voor die tijd een technisch huzarenstukje: over een traject van 900 meter bracht de kabelbaan passagiers van de Maas naar de hoogten van de stad, zonder één enkele steunpilaar. Jarenlang was de kabelbaan een van de grote toeristische trekpleisters van Hoei. Tot het in april 2012 onverwacht misging: een helikopter raakte de kabels en richtte zware schade aan. Het zou uiteindelijk twaalf jaar duren voor de installatie, inclusief de drie stations, volledig was vernieuwd. In april 2024 gingen de cabines opnieuw de lucht in. Vandaag is een rit met de kabelbaan veel meer dan een snelle manier om het hoogteverschil te overbruggen. Terwijl de cabine langzaam omhoog glijdt, ontvouwt zich een schitterend panorama over de Maas, de stad, de omliggende heuvels en het Fort van Hoei.
Het Fort van Hoei: een panorama met een donkere geschiedenis
Foto: Frans Oyen.
Hoog boven het gezellige Hoei, met zijn terrassen, oude straatjes en de Maas die rustig door de stad stroomt, bevindt zich een plek waar de sfeer plotseling omslaat. Het Fort van Hoei biedt een indrukwekkend uitzicht over de stad en de Maas, maar achter zijn dikke muren schuilt een donkere geschiedenis. Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg het fort een gruwelijke bestemming. Tussen mei 1940 en september 1944 gebruikten de Duitse bezetters het als gevangenis.
Foto: Frans Oyen.
Meer dan 7.000 mensen, onder wie politieke gevangenen, verzetsmensen en gijzelaars, werden er opgesloten. Voor sommigen was Hoei bovendien slechts een tussenstation op weg naar concentratiekampen. De donkere cellen, de ondervragingskamer en de sobere slaapruimtes herinneren nog tastbaar aan deze aangrijpende periode.
Foto: Frans Oyen.
Een bezoek aan het fort biedt daardoor niet alleen een prachtig panorama over Hoei en de Maas, maar brengt je ook oog in oog met een verleden dat we nooit mogen vergeten.
Hoei vanaf het water
Foto: Frans Oyen.
Na al dat wandelen en ontdekken is een rondvaart op de Maas de ideale manier om even tot rust te komen en Hoei vanuit een heel ander perspectief te bekijken. Terwijl de boot rustig stroomafwaarts vaart, glijden de kades, oude gebouwen en groene heuvels langzaam aan ons voorbij.
Foto: Frans Oyen.
Vanaf de Maas vallen ook enkele bekende blikvangers opnieuw op, zoals het Fort van Hoei, dat hoog boven de stad uittorent. Wat vanaf de kade indrukwekkend lijkt, krijgt vanaf het water een heel andere schaal. De stad ontvouwt zich hier als één geheel, met de rivier als natuurlijke rode draad.
Een rondvaart van een uur klinkt misschien kort, maar is precies lang genoeg om het tempo even te laten zakken. Geen programma, geen haast, alleen het kabbelende water en het landschap dat aan ons voorbijtrekt. Na een dag vol indrukken is de Maas de ideale plek om even niets te doen.
Van landbouwdomein tot Terres du Val
Foto: Frans Oyen.
Na Hoei verlaten we de stad en trekken we de groene heuvels van de Condroz in, richting Terres du Val.
Foto: Frans Oyen.
Manager Renaud Ferretti neemt ons mee in de geschiedenis van het domein. Die gaat terug tot 1813, toen de familie Jolly hier haar landbouwbedrijf uitbouwde. Generatie na generatie groeide het domein verder, tot de huidige 450 hectare. Wat ooit puur landbouwgrond was, is vandaag een veelzijdige bestemming met natuur, gastronomie, wellness, hotel en golf. Jarenlang was het vooral bekend als Naxhelet, maar sinds 2025 draagt het hele domein de naam Terres du Val. En daar krijgt nu ook wijn een plaats. Op de heuvels rond het domein ligt een biodynamische wijngaard van bijna 20 hectare, met Chardonnay, Pinot Noir, Pinot Meunier, Chasselas en Gamay. 2026 is het jaar van de eerste oogst. Op de eerste flessen van Terres du Val is het nog even wachten, maar de wijngaard markeert alvast een nieuwe stap in de ontwikkeling van het domein.
Wellness met zicht op het groen
Foto: Frans Oyen.
Na een dag in Hoei is een duik in de wellness van Terres du Val een aangename afsluiter. De wellness loopt zowel binnen als buiten door, met een verwarmd binnenzwembad en een 18 meter lang buitenbad.
Foto: Frans Oyen.
Ook midden september kunnen wij nog buiten zwemmen: het water is verwarmd tot 30 graden en biedt uitzicht op het groene domein, terwijl de eerste tekenen van de herfst zich al laten voelen. Wie langer wil ontspannen, kan terecht in de sauna’s, jacuzzi’s, hammam en het koudwaterbad.
Foto: Frans Oyen.
Onze favorieten zijn echter de privé-saunatonnen buiten. Midden in het groen zit je er letterlijk even weg van de rest van de wereld. Geen drukte, alleen warmte, stilte en het landschap.
Van het veld naar het bord
’s Avonds schuiven we aan bij Pollen, het gastronomische restaurant van Terres du Val.
Foto: Frans Oyen.
Chef-kok Durant kiest voor een keuken waarin producten uit de streek centraal staan. Een deel van de groenten en kruiden op ons bord wordt bovendien op het domein zelf geteeld. Zo wordt de link tussen de landbouwgrond rondom ons en wat er op het bord verschijnt wel erg tastbaar.
Foto: Frans Oyen.
Pollen past daarmee naadloos in het bredere verhaal van Terres du Val, waar landbouw, natuur en gastronomie samenkomen. Aan de ingang van het domein ligt een eigen bakkerij met brood, viennoiserie en andere versgebakken producten.
Golfen tussen Maas en Mehaigne
Foto: Frans Oyen.
Wie op Terres du Val verblijft, kan moeilijk om de Naxhelet Golf Club heen. Hoog op het plateau tussen de valleien van de Maas en de Mehaigne ligt een uitgestrekt golfdomein met 30 holes, ontworpen door de Britse golfarchitect Martin Hawtree. Naast de 18-holesbaan van 6.344 meter zijn er een 9-holes pitch & putt en drie oefenholes voor de Golf Academy.
Opvallend is de aandacht voor natuur en duurzaamheid. Naxhelet was de eerste golfbaan in Wallonië met het GEO-label en wordt volledig biologisch onderhouden.
Maar zelfs zonder golfclub in de hand is dit een plek om van te genieten. Tussen fairways, akkers en heuvels krijgt het landschap alle ruimte. Hier is golf niet alleen een sport, maar ook een manier om de Condroz te beleven.
Van een eeuwenoude kerk tot de historische binnenkoer van het kasteel: tijdensFéerie Florale 2027 – ‘Reflections of Nature’wordt de landcommanderij van Alden Biesen één grote bloemenwereld. Van 25 tot en met 28 september brengen zo’n 150 floristen uit Europa, Mexico en Australië hun verbeelding tot leven in meer dan 50 florale creaties, goed voor ruim20.000 bloemen.
‘Reflections of Nature’ draait om weerspiegeling, herhaling en inspiratie. Iedere florist vertaalt het thema op zijn eigen manier, waardoor een fascinerend samenspel ontstaat van kleur, vorm, licht en architecturale structuren.
Een van de blikvangers is de Avalanche-roos van Meijer, uitgeroepen tot Bloem van het Jaar. Deze elegante roos komt volledig open tot haar recht en verrast met zachte, pastelachtige tinten.
Ook de kerk wordt een indrukwekkend bloemenuniversum. Chantal Post creëert er een installatie met maar liefst 3.500 sprayrozen in warme herfstkleuren. Lichtinval speelt een belangrijke rol in het ontwerp, dat draait rond reflectie en verbinding. Vanuit een centraal bloemstuk lijkt de compositie zich maar liefst 13 meter uit te strekken door de kerkruimte.
Op de binnenkoer laat de Franse florist Frédérique Dupré zich inspireren door het landschap. Zijn achtergrond in de paleontologie vertaalt zich in een bijzondere creatie waarin een enorme rots de basis vormt en de natuur er op verrassende wijze uit lijkt te ontspringen.
Zelfs de oldtimers voor het kasteel worden in bloemen gehuld. En dat is nog maar een voorproefje. Tijdens Féerie Florale staan ook een hoedjesdag, wedstrijden voor tafeldecoratie en bruidsboeketten, het Belgisch kampioenschap voor junioren en spectaculaire florale shows op het programma.
Féerie Florale is daarmee veel meer dan een bloemententoonstelling: het is een ontmoeting tussen natuur, kunst, architectuur en vakmanschap, op een van de meest sfeervolle historische locaties van Vlaanderen.
Tien bijzondere stadjes langs de Duitse Vakwerkroute
De Deutsche Fachwerkstraße slingert door een groot deel van Duitsland en verbindt honderden historische plaatsen waar vakwerkarchitectuur het straatbeeld bepaalt. Onderweg ontdekten we dat de charme van de Vakwerkroute niet alleen in de prachtige vakwerkhuizen zit. Ook sfeervolle pleinen, oude stadspoorten, gezellige terrassen, rivieren en wijngaarden maken van deze route een heerlijke roadtrip. Wij nemen je mee langs tien bijzondere stadjes: Freudenberg, Herborn, Idstein, Miltenberg, Ochsenfurt, Marktbreit, Zeil am Main, Ebern, Hofheim en Steinau.
Tijdens een eerste trip verkenden we Freudenberg, Herborn en Idstein. Nadien zetten we onze ontdekkingstocht verder naar Miltenberg en Ochsenfurt. In deel drie verkenden we Marktbreit en Zeil am Main.
In dit vierde en laatste deel zetten we onze ontdekkingstocht voort naar Ebern, Hofheim en Steinau.
Wie Ebern binnenrijdt, rijdt zo de geschiedenis in. Vakwerkhuizen, oude torens en een historische binnenstad maken meteen duidelijk dat hier eeuwen geschiedenis in het straatbeeld zitten. Maar eerlijk is eerlijk: na drie delen van onze tocht over de Duitse Vakwerkroute hebben we inmiddels heel wat vakwerk gezien. Tijd dus om verder te kijken dan de fraaie gevels. Wat maakt Ebern écht bijzonder?
Bij het Heimatmuseum staat onze gids al op ons te wachten. Onder haar arm: twee dikke boeken over vakwerkhuizen. Lief bedoeld, maar die mogen voorlopig dicht blijven. Vandaag willen we geen uitleg over balken, stijlen en constructies. We willen weten wat er achter die gevels gebeurde. Welke plekken vertellen het verhaal van Ebern? Welke details zouden we als bezoeker zomaar missen? Onze gids weet precies waar we moeten kijken. En al snel blijkt: Ebern heeft veel meer te vertellen dan alleen het verhaal van zijn vakwerk.
We beginnen bij het historische Rathaus, een van de blikvangers van Ebern. Het renaissancegebouw dateert uit 1604 en trekt meteen de aandacht met zijn rijk versierde vakwerkgevel. Maar onze gids wil dat we vooral onder die gevel kijken. Het onderste deel van het Rathaus was vroeger namelijk een open markthal. Via vier grote rondbogen liepen kooplieden en inwoners naar binnen. Boven die bogen staan nog altijd wapens en namen van mensen die hun stempel op de stad drukten: onder anderen de burgemeesters Nicolas Betz en Hans Schmid en de Würzburgse vorstbisschop Julius Echter. Dan valt ons oog op één woord: Keller. Geen kelder zoals wij die kennen, maar de titel van een bestuurder die verantwoordelijk was voor inkomsten en voorraden. Een klein woord op een oude gevel, maar ineens krijgen we een inkijkje in hoe Ebern eeuwen geleden werd bestuurd.
Binnen blijkt de oude markthal nog altijd een ontmoetingsplek. De Rathaushalle wordt gebruikt voor bijeenkomsten en festiviteiten, net als de binnenplaats. De functie veranderde, maar de rol bleef: het Rathaus is nog altijd een plek waar Ebern samenkomt. Dan wijst onze gids omhoog: een klein klokkentorentje uit 1835. Je zou er gemakkelijk overheen kijken. Precies zo’n detail dat je zonder gids waarschijnlijk mist.
Ebern en zijn merkwaardige ‘kegelspel’
Een van de leukste ontdekkingen tijdens onze wandeling is het Eberner Kegelspiel. Geen bowlingbaan, maar zes historische torens rond de oude binnenstad. Vanuit de juiste hoek zie je meteen waar de naam vandaan komt: samen lijken de torens op een reusachtig kegelspel, met de kerktoren als centrale ‘kegel’.
De torens zijn overblijfselen van de middeleeuwse stadsverdediging. Van de oorspronkelijke reeks zijn er vandaag nog zes over: de Grauturm, Gänseturm, Diebsturm, Storchenturm, Pfarrgartenturm en de toren van de stadskerk. Andere verdwenen in de negentiende eeuw. Wat ooit een serieuze verdedigingslinie was, is nu een opvallend en bijna speels onderdeel van het stadsbeeld.
De Grauturm is hét herkenningspunt van Ebern. Met zijn 41,4 meter is het een van de hoogste middeleeuwse poorttorens van Beieren. De bouw begon rond 1480 en later kwamen er nog twee verdiepingen bij. Via de oude kamer van de torenwachter, de Türmerstube, kunnen bezoekers naar boven. Het uitzicht is prachtig, maar boven wacht nog een andere verrassing: het klokkenspel ‘Engel und Tod’, dat sinds de restauratie weer op de kwartieren en hele uren klinkt. Maar de Grauturm was natuurlijk nooit alleen een mooi uitzichtpunt. Ebern lag aan een belangrijke handelsroute en was stevig versterkt. Zodra ’s avonds de poort dichtging, moesten reizigers die te laat waren voor een overnachting buiten de stadsmuren blijven. De zuidelijke voorstad kreeg daardoor de veelzeggende bijnaam Klein-Nürnberg. En plotseling kijk je anders naar de toren. Geen monument alleen, maar een stadspoort waar eeuwen geleden kooplieden voor de gesloten poort stonden te wachten, terwijl boven hen de wachters de omgeving scherp in de gaten hielden.
Het Diebsturm en de donkere kant van de stad
Niet alle verhalen van Ebern zijn even gezellig. Aan de zuidoostkant van de oude stad staat de Diebsturm. De naam verraadt al iets van zijn verleden. De toren deed tot 1811 dienst als gevangenis. Zware misdadigers werden via een opening met touwen ruim vijf meter naar beneden gelaten, naar een kleine, vrijwel volledig donkere kerker. Opvallend genoeg had datzelfde onderste deel ooit een heel andere functie: hier bevond zich een markthal. Handel en gevangenschap onder één dak. Dat contrast typeert Ebern. Achter de fraaie gevels schuilt vaak een ander verhaal. Onze twee dikke boeken over vakwerkhuizen hebben we dan ook nauwelijks nodig gehad. De interessantste verhalen van Ebern staan niet alleen in de gevels, maar zitten in de details, de gebouwen en vooral in de verhalen erachter.
Rustig kuieren en uitrusten in Hofheim
Na Ebern trekken we verder naar Hofheim, waar we ook blijven overnachten. Geen gids deze keer, geen lijstje met must-sees. We trekken gewoon zelf de stad in. Hofheim voelt meteen anders: kleinschalig, rustig en zonder grote monumenten die alle aandacht opeisen. Al zijn ook hier de vakwerkhuizen nooit ver weg.
Voor de nacht hebben we de Fränkischer Hof uitgekozen. Het hotel heeft duidelijk al wat jaren op de teller en ademt een ouderwetse sfeer. We worden hartelijk ontvangen door een vriendelijke Poolse gastheer, die de zaak op dat moment vrijwel alleen lijkt te runnen. Het grote restaurant, goed voor zo’n zeventig gasten en blijkbaar een begrip in de omgeving, is gesloten. Jammer. Tot onze gastheer toch de keuken induikt en voor ons een maaltijd op tafel zet één van de lekkerste van onze roadtrip. Een complete verrassing: Een wat oubollig hotel, een gesloten restaurant en dan plots zo’n heerlijke maaltijd. Precies die onverwachte wendingen maken een roadtrip bijzonder.
Onze laatste halte is Steinau an der Straße, een rustig stadje waar niemand haast lijkt te hebben en ook hier zijn de vakwerkhuizen nooit ver we. Op een terras genieten enkele oudere dorpsbewoners van hun ochtendkoffie.
Steinau is ook gekend als de Brüder-Grimm-Stadt. Jacob en Wilhelm Grimm brachten hier een belangrijk deel van hun jeugd door. In Schloss Steinau duiken we in hun wereld en bewonderen we de grote Grimm-tentoonstelling.
Boven krijgen we een prachtig uitzicht over het stadje en de omgeving.
Pas achteraf ontdekken we dat Steinau ook een Brüder Grimm-Haus heeft: het voormalige Amtshaus waar de familie Grimm van 1791 tot 1796 woonde. Hadden we dat geweten, dan waren we er natuurlijk binnengestapt. Een kleine gemiste kans, dus. Maar misschien ook een mooie reden om terug te komen. Steinau ligt namelijk op de Duitse Sprookjesroute, die de sporen van de gebroeders Grimm volgt van Hanau tot Bremen. De route werd bovendien in 1975 in Steinau opgericht. Misschien een idee voor een volgende reportage.
Vlissingen heeft als toeristische bestemming lang in de schaduw gestaan van het nabij Middelburg en Veere. Vandaag de dag werpt het die schaduw almaar verder af. Net als beide andere gemeenten op het Zeeuwse eiland Walcheren telt het heel wat historische monumenten, maar net zo goede hedendaagseaantrekkingspunten.
Zo kwam er dichtbij de Noordzee een modern wijnbouwbedrijf tot stand en kan je er duiken in een bassin waar je al duikend belugasteuren en andere grote vissen kan aaien. Er is een jaarlijks filmfestival en de hoofdkerk, de Sint-Jacobskerk, doet ook dienst als cultuurpodium. Bezoekers uit Vlaanderen – met katholieke of zonder religieuze achtergrond – verbazen zich daar over de koffietafel na de eredienst, want die traditie is in Vlaanderen nog onbekend.
Vlakbij de kerk kan je kuieren langs de opvallend talrijke winkels, zowel klassieke ketenwinkels als meer eigenzinnige zaken. Langs de rand van die zone vind je diverse kleinschalige terrasjes. Op zonnige dagen is het er dan ook wat zoeken naar vrije plaatsen.
Verrassend slechts enkele tientallen meters van de winkeldrukte stap je het rustigste hoekje van Vlissingen binnen. Het Cornelia Quackshofje, ook Zeemanserve genoemd, bestaat uit 24 woningen rondom een stevig begroende binnentuin, aanvankelijk een gemeenschappelijke bleek. Het hofje ligt een eindje boven straatniveau, het is bereikbaar via een trap en een helling. Het hofje werd in 1643 gebouwd op een asheuvel, een restant waren van een werkplaats waar vroeger veen werd verbrand om er zout uit te winnen. Het was indertijd bestemd voor de huisvesting van armen.
In 1975 werden de huisjes ongeschikt verklaard voor bewoning. Met hulp van het gemeentebestuur is het hofje van 1976 tot 1980 grondig gerenoveerd, waarbij de kleine huisjes werden verbouwd tot dertien grotere woningen. Nu heeft het hofje status van rijksmonument.
In de oude havenbuurt, nauwelijks 300 meter stappen vanaf de kerk, ligt het Dokje van Perry, het oudste (1705) bewaard gebleven droogdok van Nederland en een van de oudste van West-Europa. Vandaag heeft het met de voormalige oceaanmijnenveger Mercuur een vaste bewoner. Het in 1954 voor de Nederlandse marine in de VS gebouwde houten schip kwam in dienst als de Onverschrokken. De naam Mercuur kreeg het pas na de ombouw tot torpedowerkschip. Het is gerestaureerd door vrijwilligers van de Stichting Maritiem Erfgoed Vlissingen en is nu een living history museum. De Mercuur telt zeven dekken en zeventig ruimtes. De belangrijkste ervan, zoals de brug, de kajuit van de commandant, het manschappenverblijf, diverse slaapverblijven, de torpedowerkruimte, de machinekamer, de keuken, de commandocentrale, de radiohut, de ziekenboeg en de officiershutten zijn nu toegankelijk. Onderweg zie je thematentoonstellingen over onder meer mijnenvegen en torpedo’s, thema’s die sinds begin 2026 weer erg actueel zijn, maar waarover de algemene media weinig technische informatie geven. Een bezoek aan de Mercuur maakt dit hiaat helemaal goed.
Het Dokje van Perry is een zijdok van Het Dok of Dok 1. Aan de overzijde van dit dok bleef nog meer maritiem verleden bewaard en te bezichtigen. Museum Scheldewerf is gevestigd in een villa-achtig gebouw, veel kleinschaliger dan de andere constructies op de voormalige scheepswerf. Het gebouw werd meer dan een eeuw geleden opgetrokken als ‘Verbandkamer,’ de vestiging van de allereerste bedrijfsgeneeskundige dienst van Nederland. Begin jaren zestig van de vorige eeuw verhuisde deze dienst naar een nieuwbouw. Sindsdien fungeerde de villa tot 1997 als kantoor voor de ondernemingsraad en de vakbonden.
De voorbije jaren hebben vrijwilligers, veelal mensen met een eigen professionele achtergrond in de scheepsbouw het omgevormd tot museum. Ze konden daarbij gebruik maken van het al in de jaren vijftig gestarte verzamelen van gereedschappen en voorwerpen gebruikt bij fabricage en onderhoud van schepen. Een van de doelstellingen daarvan was leerlingen van de eigen bedrijfsschool kennis te laten nemen van technieken en gebruikte materialen.
De vrijwilligers hebben pand zonder tussenkomst van ontwerpbureaus heringericht. Ze hebben er ook een traplift in aangebracht. De tentoonstellingsruimtes zijn klein en intiem. In de toegangsprijs is een drankje inbegrepen. Dit alles bezorgt het museum een gezellig, familiaal karakter. Het is bovendien erkend als Fietscafé. De vrijwilligers geven toelichting en vertellen soms hele verhalen bij de verschillende opstellingen. Naast het behoud en het tonen van de voorwerpen en documentatie is het een belangrijke taak deze verzameling tot leven brengen en te laten spreken. Zo staan in de Behandelkamer nog diverse medische apparaten van weleer opgesteld. De volledige combinatie van de museumruimtes oogt wat chaotisch – mee doordat de afzonderlijke kamers in de villa vrij compact zijn–, maar etaleert tegelijk boeiende, sfeervolle tijdsbeelden.
Het Maritiem Muzeeum Zeeland langs de jachthaven (Nieuwendijk) focust op een eerdere periode, vooral de Nederlandse Gouden Eeuw, met als spilfiguren admiraal Michiel De Ruyter (1607-1676) en de lokale koopmansfamilie Lampsins. Langs de buitenkant lijkt het een bescheiden bedoening, achter een hedendaagse gevel. Maar pas binnen merk je dat ook de belendende patriciërswoning Lampsins en de achterliggende voormalige pakhuizen er deel van uitmaken en het museum behoorlijk omvangrijk is.
Hier is de inrichting duidelijk wel het werk van professionals. Hun aanpak reflecteert de recentste internationale trends in museumwezen. Het is sterk interactief, met een aanbod voor alle leeftijden. Het gebruik van eigentijdse concepten voorkomt dat de er geëxposeerde originele historische stukken thematische beperkingen hebben. Toch slaagt dit museum erin ook aspecten zoals de kaapvaart en de slavenhandel mee in beeld te brengen. Die aspecten worden in de huidige maatschappij erg negatief beoordeeld en je ziet ze ook niet op de staatsieportretten van de Lampsins, maar ze droegen indertijd wel sterk bij aan de economische welvaart van Vlissingen. Het maritieme verleden kom hier dan ook in zijn volle sociaaleconomische betekenis tot uiting.
Het oog wil ook wat. Geniale vondsten zijn hier een doorsnede van de in 1740 gezonken Rooswijk, deels in opgevist wrakhout, deels in tekenwerk op de wand en een andere wand, die volledig is bekleed met uit de Westerschelde opgebaggerde stukken scheepshuid van gezonken schepen. Op de bodem van de Schelde liggen nu nog altijd veel wrakken uit vooral de Tweede Wereldoorlog.
Vlissingen is ook de plaats waar de Nederlandse en Belgische loodsen uitrukken om schepen veilig door de regelmatig veranderende vaargeulen in de Westerschelde te loodsen. Langs de Boulevard de Ruyter beschikken zowel de Nederlandse als de Belgische loodsen over een eigen gebouw. We gaan het hier niet hebben over de intussen historische rivaliteit tussen de Belgen en de Nederlanders noch over de noch altijd gevoelige onderlinge verhouding tussen de Belgische kust-, zee-, rivier- en kanaalloodsen of het statuut van de Belgische loodsen. Daarvoor bestaan er andere media.
Maar we gaan hier wel in op het verschil tussen het Nederlandse Loodswezen en de Belgische Loodsensociëteit. Het gebouw van de Nederlandse loodsen is nog altijd een besloten complex, uitsluitend toegankelijk voor loodsen. Het Belgische buurgebouw is 24 uur per dag open, maar alleen de periode tussen 2 uur ’s nachts en 8 uur ’s morgens is de gelagzaal voorbehouden aan loodsen.
In 2014 hebben de Belgische loodsen hun gebouw omgevormd tot hotel-restaurant mét terras en de uitbating ervan toevertrouwd aan Dennis Jansens en Brigiet Stellaard. Een van de voorwaarden in het contract was dat ze altijd minstens veertig verschillende Belgische bieren moeten aanbieden. Aan die voorwaarden voldoen ze met groot overschot. Momenteel kan je in de Loodsensociëteit wel zestig Belgische bieren bestellen. Voor diverse variëteiten is de Loodsensociëteit de enige plaats in Nederland waar je ze kan consumeren en/of zijn ze niet in retailwinkels te koop. We vonden het dan ook veilig dit artikel niet te beginnen, maar af te sluiten met deze lokale bestemming.