Auteur: Koen Mortelmans

  • Vlissingen uit de schaduw van zijn buren

    Vlissingen uit de schaduw van zijn buren

    Vlissingen heeft als toeristische bestemming lang in de schaduw gestaan van het nabij Middelburg en Veere. Vandaag de dag werpt het die schaduw almaar verder af. Net als beide andere gemeenten op het Zeeuwse eiland Walcheren telt het heel wat historische monumenten, maar net zo goede hedendaagse aantrekkingspunten.

    Zo kwam er dichtbij de Noordzee een modern wijnbouwbedrijf tot stand en kan je er duiken in een bassin waar je al duikend belugasteuren en andere grote vissen kan aaien. Er is een jaarlijks filmfestival en de hoofdkerk, de Sint-Jacobskerk, doet ook dienst als cultuurpodium. Bezoekers uit Vlaanderen – met katholieke of zonder religieuze achtergrond – verbazen zich daar over de koffietafel na de eredienst, want die traditie is in Vlaanderen nog onbekend.

    Een ontspannen hoekje in de binnenstad. Foto: © Koen Mortelmans.

    Vlakbij de kerk kan je kuieren langs de opvallend talrijke winkels, zowel klassieke ketenwinkels als meer eigenzinnige zaken. Langs de rand van die zone vind je diverse kleinschalige terrasjes. Op zonnige dagen is het er dan ook wat zoeken naar vrije plaatsen.

    Zeemanserve

    Verrassend slechts enkele tientallen meters van de winkeldrukte stap je het rustigste hoekje van Vlissingen binnen. Het Cornelia Quackshofje, ook Zeemanserve genoemd, bestaat uit 24 woningen rondom een stevig begroende binnentuin, aanvankelijk een gemeenschappelijke bleek. Het hofje ligt een eindje boven straatniveau, het is bereikbaar via een trap en een helling. Het hofje werd in 1643 gebouwd op een asheuvel, een restant waren van een werkplaats waar vroeger veen werd verbrand om er zout uit te winnen. Het was indertijd bestemd voor de huisvesting van armen.

    In 1975 werden de huisjes ongeschikt verklaard voor bewoning. Met hulp van het gemeentebestuur is het hofje van 1976 tot 1980 grondig gerenoveerd, waarbij de kleine huisjes werden verbouwd tot dertien grotere woningen. Nu heeft het hofje status van rijksmonument.

    Mijnen en torpedo’s

    Op de Mercuur kom je alles te weten voor zeemijnen en torpedo’s, zonder ontploffingsgevaar. Foto: © Koen Mortelmans.

    In de oude havenbuurt, nauwelijks 300 meter stappen vanaf de kerk, ligt het Dokje van Perry, het oudste (1705) bewaard gebleven droogdok van Nederland en een van de oudste van West-Europa. Vandaag heeft het met de voormalige oceaanmijnenveger Mercuur een vaste bewoner. Het in 1954 voor de Nederlandse marine in de VS gebouwde houten schip kwam in dienst als de Onverschrokken. De naam Mercuur kreeg het pas na de ombouw tot torpedowerkschip. Het is gerestaureerd door vrijwilligers van de Stichting Maritiem Erfgoed Vlissingen en is nu een living history museum. De Mercuur telt zeven dekken en zeventig ruimtes. De belangrijkste ervan, zoals de brug, de kajuit van de commandant, het manschappenverblijf, diverse slaapverblijven, de torpedowerkruimte, de machinekamer, de keuken, de commandocentrale, de radiohut, de ziekenboeg en de officiershutten zijn nu toegankelijk. Onderweg zie je thematentoonstellingen over onder meer mijnenvegen en torpedo’s, thema’s die sinds begin 2026 weer erg actueel zijn, maar waarover de algemene media weinig technische informatie geven. Een bezoek aan de Mercuur maakt dit hiaat helemaal goed.

    Schepen bouwen en scheepwerkers oplappen

    Museum Scheldewerf is een erkend Fietscafé. Foto: © Koen Mortelmans.

    Het Dokje van Perry is een zijdok van Het Dok of Dok 1. Aan de overzijde van dit dok bleef nog meer maritiem verleden bewaard en te bezichtigen. Museum Scheldewerf is gevestigd in een villa-achtig gebouw, veel kleinschaliger dan de andere constructies op de voormalige scheepswerf. Het gebouw werd meer dan een eeuw geleden opgetrokken als ‘Verbandkamer,’ de vestiging van de allereerste bedrijfsgeneeskundige dienst van Nederland. Begin jaren zestig van de vorige eeuw verhuisde deze dienst naar een nieuwbouw. Sindsdien fungeerde de villa tot 1997 als kantoor voor de ondernemingsraad en de vakbonden.

    De voorbije jaren hebben vrijwilligers, veelal mensen met een eigen professionele achtergrond in de scheepsbouw het omgevormd tot museum. Ze konden daarbij gebruik maken van het al in de jaren vijftig gestarte verzamelen van gereedschappen en voorwerpen gebruikt bij fabricage en onderhoud van schepen. Een van de doelstellingen daarvan was leerlingen van de eigen bedrijfsschool kennis te laten nemen van technieken en gebruikte materialen.

    Medische infrastructuur van weleer in Museum Scheldewerf. Foto: © Koen Mortelmans.

    De vrijwilligers hebben pand zonder tussenkomst van ontwerpbureaus heringericht. Ze hebben er ook een traplift in aangebracht. De tentoonstellingsruimtes zijn klein en intiem. In de toegangsprijs is een drankje inbegrepen. Dit alles bezorgt het museum een gezellig, familiaal karakter. Het is bovendien erkend als Fietscafé. De vrijwilligers geven toelichting en vertellen soms hele verhalen bij de verschillende opstellingen. Naast het behoud en het tonen van de voorwerpen en documentatie is het een belangrijke taak deze verzameling tot leven brengen en te laten spreken. Zo staan in de Behandelkamer nog diverse medische apparaten van weleer opgesteld. De volledige combinatie van de museumruimtes oogt wat chaotisch – mee doordat de afzonderlijke kamers in de villa vrij compact zijn–, maar etaleert tegelijk boeiende, sfeervolle tijdsbeelden.

    Maritiem Muzeeum Zeeland

    Het Maritiem Muzeeum Zeeland langs de jachthaven (Nieuwendijk) focust op een eerdere periode, vooral de Nederlandse Gouden Eeuw, met als spilfiguren admiraal Michiel De Ruyter (1607-1676) en de lokale koopmansfamilie Lampsins. Langs de buitenkant lijkt het een bescheiden bedoening, achter een hedendaagse gevel. Maar pas binnen merk je dat ook de belendende patriciërswoning Lampsins en de achterliggende voormalige pakhuizen er deel van uitmaken en het museum behoorlijk omvangrijk is.

    Michiel de Ruyter is een centrale figuur in het Maritiem Muzeeum. Foto: © Koen Mortelmans.

    Hier is de inrichting duidelijk wel het werk van professionals. Hun aanpak reflecteert de recentste internationale trends in museumwezen. Het is sterk interactief, met een aanbod voor alle leeftijden. Het gebruik van eigentijdse concepten voorkomt dat de er geëxposeerde originele historische stukken thematische beperkingen hebben. Toch slaagt dit museum erin ook aspecten zoals de kaapvaart en de slavenhandel mee in beeld te brengen. Die aspecten worden in de huidige maatschappij erg negatief beoordeeld en je ziet ze ook niet op de staatsieportretten van de Lampsins, maar ze droegen indertijd wel sterk bij aan de economische welvaart van Vlissingen. Het maritieme verleden kom hier dan ook in zijn volle sociaaleconomische betekenis tot uiting.

    Doorsnede van de in 1740 gezonken Rooswijk, deels in opgevist wrakhout. Foto: © Koen Mortelmans.

    Het oog wil ook wat. Geniale vondsten zijn hier een doorsnede van de in 1740 gezonken Rooswijk, deels in opgevist wrakhout, deels in tekenwerk op de wand en een andere wand, die volledig is bekleed met uit de Westerschelde opgebaggerde stukken scheepshuid van gezonken schepen. Op de bodem van de Schelde liggen nu nog altijd veel wrakken uit vooral de Tweede Wereldoorlog.

    Een volledig met uit de Westerschelde opgebaggerde stukken scheepshuid van gezonken schepen beklede wand in het Maritiem Muzeeum. Foto: © Koen Mortelmans.

    Loodsen staan niet droog

    Vlissingen is ook de plaats waar de Nederlandse en Belgische loodsen uitrukken om schepen veilig door de regelmatig veranderende vaargeulen in de Westerschelde te loodsen. Langs de Boulevard de Ruyter beschikken zowel de Nederlandse als de Belgische loodsen over een eigen gebouw. We gaan het hier niet hebben over de intussen historische rivaliteit tussen de Belgen en de Nederlanders noch over de noch altijd gevoelige onderlinge verhouding tussen de Belgische kust-, zee-, rivier- en kanaalloodsen of het statuut van de Belgische loodsen. Daarvoor bestaan er andere media.

    Laat je loodsen langs zestig verschillende Belgische bieren. Foto: © Koen Mortelmans.

    Maar we gaan hier wel in op het verschil tussen het Nederlandse Loodswezen en de Belgische Loodsensociëteit. Het gebouw van de Nederlandse loodsen is nog altijd een besloten complex, uitsluitend toegankelijk voor loodsen. Het Belgische buurgebouw is 24 uur per dag open, maar alleen de periode tussen 2 uur ’s nachts en 8 uur ’s morgens is de gelagzaal voorbehouden aan loodsen.

    In 2014 hebben de Belgische loodsen hun gebouw omgevormd tot hotel-restaurant mét terras en de uitbating ervan toevertrouwd aan Dennis Jansens en Brigiet Stellaard. Een van de voorwaarden in het contract was dat ze altijd minstens veertig verschillende Belgische bieren moeten aanbieden. Aan die voorwaarden voldoen ze met groot overschot. Momenteel kan je in de Loodsensociëteit wel zestig Belgische bieren bestellen. Voor diverse variëteiten is de Loodsensociëteit de enige plaats in Nederland waar je ze kan consumeren en/of zijn ze niet in retailwinkels te koop. We vonden het dan ook veilig dit artikel niet te beginnen, maar af te sluiten met deze lokale bestemming.

  • Vlissingen: luxueus logeren in erfgoedgebouwen

    Vlissingen: luxueus logeren in erfgoedgebouwen

    De verschuiving van de traditionele scheepsbouw naar Oost-Azië was een zware slag voor Vlissingen. Maar sinds een jaar of tien is de stad volop in herontwikkeling. Verschillende stadsvernieuwingsprojecten maken haar ook tot een aantrekkelijke toeristische bestemming.

    De centrale as in die recente evolutie is de boulevard, die volledig is heraangelegd, met veel ruimte voor kuierende voetgangers en fietsers. Beelden op mensenmaat van lokale helden wisselen er af met zithoekjes met uitzicht op het water. Dat uitzicht verschilt sterk van de meeste andere kustplaatsen. Doordat de vaarroutes in de Westerschelde vrij dicht langs de wal liggen, zie je er de grote containerschepen van en naar Antwerpen van erg nabij voorbijvaren.

    Boulevard

    Het demonteerbare strandpaviljoen wordt beveiligd door een waterkering, de verblijfskamers ernaast met schutbalken. Foto: © Koen Mortelmans.

    Langs de westelijke boulevard kan je in het Strandpaviljoen niet alleen terecht voor een hapje en een drankje: je kan er ook logeren en vanuit je kamer rechtstreeks het strand opstappen. Bij stormweer worden de kamers met schotbalken beschermd, terwijl het paviljoen zelf demonteerbaar is. Voorlopig bleek een tijdelijke demontage gelukkig nog niet nodig.

    De toegang tot Hotel De Zeevaartschool bevindt zich langs de strandboulevard. Foto: © Koen Mortelmans.

    Een eindje verder langs de boulevard, richting binnenstad, opende in 2025 Hotel De Zeevaartschool de deuren. Het hotel dankt zijn naam aan de vroegere functie van het erfgoedgebouw, dat werd opgetrokken vanaf 1949. De oorspronkelijke zeevaartschaal had, net als talrijke andere gebouwen langs de kustlijn, de geallieerde bombardementen tijdens de Slag om de Schelde (einde 1944) niet doorstaan.

    Van zeevaartschool tot hotel

    De ‘nieuwe’ Zeevaartschool is opgetrokken in zogenaamde ‘shake hands’ architectuur, een combinatie van gewapend beton voor de draagstructuur en baksteen voor de gevels. In 2014 werd het maritiem onderwijs geclusterd met andere opleidingen op een ruimere campus elders in de gemeente en kwam het gebouw vrij.

    De omvorming tot hotel gebeurde met het grootste respect voor de historische achtergrond. Dat blijkt onder meer uit de nog altijd groeiende verzameling herinneringen van oudstudenten en vroegere bouwpartijen, die er op verschillende niveaus is uitgestald. Die delen van het gebouw zijn vrij toegankelijk, ook voor niet hotelgasten. Van 12 tot 16 uur zijn ook sommige kamers te bezichtigen. Vanaf de entree ligt de voltijds bevrouwde receptie ietwat achterin, wat het terras en het ook voor passanten toegankelijke restaurant sterker accentueert.

    Ter hoogte van de overgang tussen het hoofdvolume en lagere, westelijke bouwvolume staat een ronde, vuurtorenachtige toren met een platform ten behoeve van de vlaggenmast. De vorm van het platform en de balustrade verwijzen naar kraaiennest op een schip. Hier konden de leerlingen indertijd oefenen met navigatie-instrumenten. Het platform is nu publiek toegankelijk, maar voor de twee hoogste niveaus – met 360° uitzicht – moet je wel een behoorlijk steile trap en een ladder beklimmen.

    Slimme matrozenkamers

    De kamers langs de kant van de boulevard bieden het indrukwekkendste uitzicht, maar ook die langs de stadskant zijn niet te versmaden. Doordat er tussen het gebouw en de achterliggende stadswijken een dijk ligt, hebben de benedenkamers langs die kant geen mooi uitzicht.

    Uitbater Onilio loste dit slim op en richtte er ‘matrozenkamers’ in, bescheiden kamers die aangeboden worden tegen budgettarieven, interessant voor bezoekers die zich van af de vroege ochtend tot diep in de nacht in het stads- en Scheldeleven begeven. Maar uiteraard behoren ook ‘officierskamers’ en ‘kapiteinskamers’ tot het gevarieerde aanbod.

    Scheepswerf

    Elegante architectuur in het hoofdkantoor van Damen Naval. Foto: © Koen Mortelmans.

    De keuze om het maritieme monument te herbestemmen tot hotel kadert in een bredere beweging om de industriële erfgoedlocaties nieuw leven in te blazen. Het industrieel erfgoed van Vlissingen bestaat vooral uit gebouwen van de voormalige scheepswerf De Schelde, opgericht in 1875 en in 2000 overgenomen door Damen Shipyards.

    In de jaren vijftig van de vorige eeuw was De Schelde met meer dan 4.600 arbeidsplaatsen de grootste werkgever in Vlissingen. De scheepswerf was van oudsher stevig verankerd in het maatschappelijke en economische leven van Vlissingen. Veel inwoners ervaren nog altijd een grote betrokkenheid bij het bedrijf. De onderneming breidde regelmatig uit en oefende zo een grote invloed uit op het stadsbeeld en de ruimtelijke ontwikkeling van de omgeving, vaak ten koste van de binnenstad.

    Americana

    Einde 2003 kocht de gemeente een groot deel van het 32 hectare grote terrein aan voor de ontwikkeling van het Scheldekwartier, met vooral nieuwe woningen. Verschillende oude gebouwen en elementen blijven behouden. Zo is er het vroegere hoofdkantoor, nu in gebruik door Damen, dat op een deel van werfterreinen zijn marinebouw concentreerde. Toegang tot de industriële activiteiten is dan ook streng beperkt, zeker gezien de huidige internationale situatie, die vergt dat marineschepen met de recentst beschikbare technologie worden uitgerust. De elegante inkomhal van het in 1913 in een historiserende Americana-stijl opgetrokken kantoorgebouw is wel af en toe toegankelijk, soms ook op aanvraag. Het. Naast een vleugje art nouveau kondigen diverse elementen er al de naoorlogse art deco aan.

    Timmerfabriek

    In het opkomende Scheldekwartier is Hotel de Timmerfabriek de herbestemming van het volumineuze gebouw uit 1914, waar timmerlieden werkten aan meubilair voor scheepsinterieurs. Na de casco restauratie in 2010 onderging het pand een grondige metamorfose. Eerst werd het gebruikt voor allerlei evenementen. De eerste hotelgasten namen er in 2022 hun intrek.

    De buitengevel vertoont nog steeds een erg industriële indruk. Het historische karakter is ook binnen het hotel nog erg zichtbaar: betonnen plafonds en kolommen, grote raampartijen, het imposante atrium met glazen kap, de open galerijen… Maar zowel de kamers als de hotelservice hebben niks industrieels, ze zijn pure luxe. Op het dak is het torentje uit 1914 teruggezet. Het is nu een penthouse met vier verblijfsniveaus én een panoramische sauna op het dak ernaast.

    Machinefabriek

    Tussen de nieuwbouw- en renovatieprojecten op de vroegere werfterrein zie je vandaag diverse lege, te herinvullen percelen en één enorm industrieel gebouw. Dat is de Machinekamer, goed voor drie hallen uit de periode 1913-1925, elk ongeveer 95 meter lang en samen zowat even breed en 16 meter hoog. Ooit werden hier scheepsmotoren gebouwd en getest. De herstellingswerken aan de ruwbouw werden in 2024 afgerond. Nu wordt er volop gewerkt aan nieuwe bestemmingen, met deels publieke en deels privé-invulling: sport, recreatie, cultuur, gezondheid, evenementen en parkeren komen hier in de toekomst samen.

    Gezien de enorme omvang van het gebouw vindt de herontwikkeling gefaseerd plaats. In de middelste hal komt een parkeergarage met ruim 600 plekken voor bezoekers, bewoners en mensen die in de omgeving werken. De linkse hal krijgt onder meer een sportzaal, een poppodium, ateliers, een bibliotheek en een stadhuisdienst. De derde hal zal ruimte bieden aan uiteenlopende evenementen.

  • Kinderen centraal in Wommelgemse ‘Kleine’ Bloemenstoet

    Kinderen centraal in Wommelgemse ‘Kleine’ Bloemenstoet

    Op zondagnamiddag 20 september trekt de Kleine Bloemenstoet voor de 64ste keer door de straten van Wommelgem. Van de vijf vandaag de dag nog in Vlaanderen georganiseerde bloemencorso’s is Wommelgem het enige waarin kinderen een hoofdrol spelen.

    De Wommelgemse kinderbloemenstoet werd voor het eerst georganiseerd in 1962, als spin-off (al bestond dit woord toen nog niet) van de ‘grote bloemenstoet.’ De allereerste kinderstoet verliep niet zonder incidenten. Sommige volwassen wagenbouwers maakten zich boos omdat de kinderen nogal lukraak en zonder veel vragen te stellen her en der dahlia’s gingen plukken. “Schiet niet op de kinderen, maar schiet op mij,” nam de populaire onderpastoor Maurice De Vadder tijdens de mis de verdediging van de kinderen op zich. De kinderstoet was een initiatief waaraan hij fors had bijgedragen.

    Groot en klein

    De ‘grote’ bloemenstoet van Wommelgem reed voor het laatst uit in 1989. Vandaag telt Vlaanderen nog vijf bloemenstoeten. Naast Wommelgem gaat het om Blankenberge, Sint-Gillis-Bij-Dendermonde, Loenhout en Ternat. Vier ervan vinden plaats in augustus en september, omdat de gebruikte dahlia’s dan op hun best zijn. Ternat, in het voorjaar, gebruikt andere bloemen. Nederland telt nog een twintigtal bloemencorso’s, die overigens door de Unesco zijn erkend als immaterieel erfgoed.

    Vroeger leerden de jonge wagenbouwers het ‘vak’ van de deelnemers aan de ‘grote’ stoet en maakten ze graag gebruik van afbraakmateriaal van de grote stoet. Vandaag biedt de vriendenkring die de Kleine Bloemenstoet organiseert kandidaat-deelnemers niet alleen gratis opleidingen aan, maar ook onderstellen, piepschuim en bloemen. De zeventigkoppige organisatie draait volledig op vrijwilligerswerk. Door de toenemende urbanisatie worden er in Wommelgem tegenwoordig minder dahlia’s geteeld dan een of twee generaties geleden. “We hebben afspraken met onze collega’s in Loenhout om bloemen te leveren en in geval van nood springt ook Zundert, vlak over de Nederlandse grens, bij,” zegt voorzitter Paul Van den Broeck. Hij streeft zelf niet naar Unesco-erkenning, want dit zou alleen maar meer werk met zich meebrengen voor de vrijwilligers.

    De bebloemde wagens moeten een minimale basisoppervlakte hebben van 0,5 vierkante meter en maximaal 8 vierkante meter, wat indertijd de minimale oppervlakte was voor deelname aan de ‘grote’ stoet. Reglementair moeten de wagens worden voortgetrokken door kinderen. Dit beperkt eveneens de omvang.

    Gratis toegankelijk

    In 1962 reden er veertien wagentjes mee, tijdens het topjaar 1982 88. “Dat was te veel om efficiënt te werken,” getuigt Van den Broeck. “De voorbije jaren hadden we telkens vijftien tot twintig deelnemers.” De kwaliteit van dit kleinere aantal deelnemers ligt wel erg hoog. De gratis toegankelijke stoet kan dan ook altijd op een massale publieke belangstelling rekenen, maar de organisatoren moeten veel energie steken in het steeds opnieuw vinden en motiveren van deelnemers, ook al zijn het in de praktijk ouders en grootouders die de meeste wagens bouwen. Dit jaar waren er begin september veertien wagens ingeschreven.

    Het kindervriendelijke aspect uit zich sterk in de randanimatie, met verschillende springkastelen, grimeurs, straatartiesten, een paardenmolen en een snoepjesregen. Muziekverenigingen luisteren zowel de stoet zelf als de randanimatie op. In 2026 zijn dat de lokale harmonie De Verbroedering, Sergeant Single & Captain Tiny en een clownsband. Wommelgem heeft ook een brandweermuseum, dat steevast twee historische brandweerwagens meestuurt om de stoet in te leiden en af te sluiten.

    Inspiratie

    In de loop der jaren vormde Walt Disney de grootste inspiratiebron voor de jonge wagenbouwers. Maar ook de andere film- en televisiefiguren, muziekvedetten en de Belgische stripwereld zijn populair. Uitzonderlijk komen ook sport en politiek wel eens om het hoekje kijken.

    Reuzen

    Er stappen dit jaar ook twee folkloristische reuzen mee in de staat. De Vaderreus is overigens vernoemd naar de stichter van de stoet. Die gaf ooit zijn plaats als onderpastoor in Wommelgem op om als priester-arbeider in de industrie te gaan werken. De reus maakte zijn opwachting in 1991, toen De Vader (1928-2007) nog in leven was. Hij –de reus – nam in de daaropvolgende jaren regelmatig deel aan sociale acties in het Antwerpse, vooral acties om de toegankelijkheid van verkeersinfrastructuur en gebouwen voor minder-validen te verbeteren. Opgebouwd uit vooral piepschuim en kippengaas liep de originele reus door die intensieve inzet wel heel wat schade op. De huidige reus is dan ook een grondig gerenoveerde versie.

    De tweede reus heet Seba. Hij is van recente makelij en maakte onlangs zijn debuut. Seba dankt zijn naam aan kunstschilder Sebastiaen Vrancx (1573-1647), die diverse versie penseelde van de ‘plundering van Wommelgem’, een gebeurtenis uit 1589.

  • Turano stuwmeer in de Sabijnse bergen

    Turano stuwmeer in de Sabijnse bergen

    Historische omgeving kiest voor eigentijdse aanpak

    Het Turano-stuwmeer, in de Italiaanse provincie Rieti, kwam pas in de twintigste eeuw tot stand, maar de hele streek ademt een veel oudere geschiedenis uit. Vandaag is het een rustige omgeving, die uitnodigt tot ontspannen, maar de bewaard gebleven oude architectuur getuigt van een gewelddadig verleden. In sommige perioden was er zoveel oorlogsgeweld dat er niets meer van overbleef.

    Dat je er geen sporen meer vindt van de voorchristelijke Sabijnse cultuur kan meer te maken hebben met de Sabijnse Maagdenroof, al was die ook niet helemaal geweldloos. Maar later passeerden er onder meer ook Saracenen en Noormannen, een Duitse keizer en, tijdens de Tweede Wereldoorlog, een verdwaalde geallieerde bommenwerper.

    Het stuwmeer werd aangelegd in 1938.

    Het Turanomeer is een kunstmatig meer. Het ontstond in 1938, door de bouw van een dam. Die moest tegelijk overstromingsproblemen van de rivier Velino oplossen en voor ‘groene’ (in die tijd werd deze term nog niet gebruikt) elektriciteit zorgen. Het Turanomeer vormt samen met het nabijgelegen Saltomeer één hydraulisch systeem. Via een 9 kilometer lange tunnel onder de Monte Navegna wordt water tussen beide reservoirs uitgewisseld om de wateraanvoer naar de waterkrachtcentrale van Cotilia te regelen. Het meer is slechts 5,6 vierkante kilometer groot, maar heeft wel een oeverlijn van 38 kilometer, met kleine strandjes en informele plekken. Dit maakt het erg geschikt voor recreatie, zonder echt drukke plekken.

    Gevarieerd landschap.

    Gevarieerd landschap

    Internationaal is het vooral bekend bij pelgrims, die de Cammino di San Benedetto (Benedictusweg) afleggen. Binnenlands is het, op – langs de weg 90 km van het centrum van Rome – een meer algemeen vertrouwde bestemming. Zeilen, kajakken, georganiseerde en ongeorganiseerde trektochten en – strikt gereglementeerd vissen – behoren tot de mogelijkheden. De wegen rond het meer bieden in elke bocht een ander uitzicht, maar nergens ontwaar je er grootschalige bebouwing.

    Emissieloze boottochten

    Op een steile landtong langs het meer is Castel di Tora vandaag een toeristische vertrekplaats. Vanaf hier kan je met de door zonne-energie aangedreven elektrische boot een tocht over het water maken. Er worden ook opleidingen voor kajakkers en natuurverkenners georganiseerd. In de omliggende heuvels van de Riserva naturale Monte Navegna e Monte Cervia leven wilde zwijnen, vossen, herten en steenarenden en tieren brem, tijm, beuk, eik en kastanje welig. Truffelspecialisten vinden er zowel zwarte als witte truffels.

    Robuuste architectuur

    Het dorp zelf was eeuwenlang een versterkte plaats, een toevluchtsoord voor de bewoners van de minder verdedigbare dorpen in de omgeving. Heel wat gebouwen ogen erg robuust. Vooral de vroegere poortgebouwen vallen daarbij op. Het kasteeldorp biedt een aantal mooie panorama’s op het meer en omgeving. In het verleden waren dit vooral uitkijkplaatsen, om bewegingen van mogelijke en reële vijanden te observeren.

    De hellende straatjes vormen een wirwar van doorgangen en portalen, trappen en half verdoken of verhoogde woonniveaus. Inscripties op hergebruikt bouwmateriaal bevestigen de Romeinse geschiedenis. Alles samen is het dorp toch behoorlijk klein, op een uurtje heb je er alles gezien.

    Spookdorp

    Tegenover Castel dit Tora ligt Antuni, een heuveldorpje dat sinds de bouw van de dam een schiereiland is. De bewoners trokken er geleidelijk weg en na een op de verkeerde plaats uitgevoerd bombardement in de Tweede Wereldoorlog liep het verder leeg. Vanaf de jaren negentig werd het weer opgeknapt, met als belangrijkste restauratieproject het vijftiende-eeuwse, met fresco’s versierde Palazzo del Drago.

    Antuni is nu alleen te voet of per boot bereikbaar. Bezoeken kan alleen na reservatie en mét gids. Tijdens een boottocht over het meer kan je wel een glimp opvangen van de Eremo di San Salvatore, een grot in de steile rotswand, die ooit als kluizenaarswoning fungeerde.

    Verrassende kunst

    Castel di Tora zelf heeft ook een hedendaags kantje, dat naadloos aansluit bij de elementen uit het verleden. Zo is in een van de natuurstenen bouwelementen het silhouet van een auto te zien, maar dat is een uitzondering. Verspreid over het hele dorp zie je gevelversieringen, gemaakt met stukjes schelpen van zwanenmosselen. De afbeeldingen zijn die van lokale dieren en planten.

    Die schelpdieren komen veel voor in zoet water, waar ze zich voeden met klein, zwevend organisch materiaal. Doordat ze op die manier het water filteren spelen ze een belangrijke rol in het ecologische systeem. In 2017 daalde het waterpeil in het meer fors, het gevolg van een ernstige droogte. Veel mosselen stierven en hun schelpen spoelden massaal aan op de oevers.

    Dit hedendaagse accentje is intussen ook al geschiedenis, aan het model te zien.

    Kunstenares Elisabetta Catamo (°1978) zag er wel wat in. Ze verzamelde de grote schelpen, die langs de buitenkant vrij ordinair ogen, maar langs de binnenkant zilverachtig glanzen. Verdere ontwikkelde ze een systeem, waarbij ze de verbrijzelde schelpen op houten frames tot herkenbare figuren herschikte. Die frames zijn daarna aan de dorpsgevels bevestigd.

    Meer info:

    www.viviturano.com

    www.lakeholiday.it

  • In de voetsporen van Franciscus en Benedictus

    In de voetsporen van Franciscus en Benedictus

    Historische steden in Italië kunnen de toevloed van toeristen, vooral dagjestoeristen, nog nauwelijks aan. Om die druk te verlagen en tegelijk Italië als aantrekkelijke reisbestemming te vrijwaren zet de overheid er nu sterker in op landelijk toerisme. Zo worden oude pelgrimswegen er in ere hersteld, niet meer als wegen naar traditionele bedevaartplaatsen, maar als bestemmingen op zichzelf.

    Klik hier voor de fotoreportage van Koen Mortelmans.

    Het toeristisch initiatief Antichi Cammini d’Italia (Oude Paden van Italië) is een onderdeel van het Italiaanse herstelplan (PNRR) om de druk op zwaarbezochte toeristische hotspots te verlichten en reizigers kennis te laten maken met minder bekende, landelijke gebieden.

    Het is gericht op duurzaam, langzaam en authentiek reizen. Het project promoot vijf historische pelgrims- en wandelroutes op hun traject doorheen Lazio, de regio rond Rome. Al sinds de middeleeuwen zijn naast Rome ook Assisi en Monte Cassino vertrouwde bestemmingen van pelgrimsreizen. Van sommige routes zijn uit die tijd uitgebreide beschrijvingen overgeleverd. Dat maakte het mogelijk ze in grote lijnen te reconstrueren. En hoewel het typische wandelroutes zijn, zijn er ook specifieke busroutes en dagtochten ontwikkeld om bepaalde delen van de trajecten op een comfortabele manier te verkennen.

    Hedendaagse aanpak

    Langs de routes zijn zestig ‘slimme’ borden geïnstalleerd die automatisch via Bluetooth communiceren met de app ⁠Italia.it. Zo ontvang je pushmeldingen met gedetailleerde kaarten en multimediale content op je smartphone. Naast de slimme bewegwijzering is er een uitgebreid inventarisatieproject uitgevoerd, waarbij meer dan duizend bezienswaardigheden langs de routes werden gedocumenteerd.

    Lokale vrijwilligers staan ervoor in dat de routes niet verwaarloosd worden. Hun werk impliceert niet alleen toezicht op infoborden, zitbanken en het verstrekken van algemene informatie. Ze onderhandelen bijvoorbeeld ook met landeigenaars, om pelgrims recht van doorgang te verlenen over historische routes op privéterrein.

    Andere lokale initiatiefnemers vormen oude boerderijtjes om tot vakantieverblijven voor agrotoerisme of moderniseren de binnenkant van antieke dorps- en stadshuisjes tot eigentijdse BNB’s, met wifi. Als je geen reisstekker meebrengt om je toestellen aan te sluiten op oudere stopcontacten heeft de uitbater er doorgaans wel één te leen. Houd wel rekening met flink wat trapjes, want in dergelijke gebouwen was het vaak niet mogelijk een lift te plaatsen. Aan eetgelegenheden geen gebrek, zelfs niet in de kleinste stadjes. Zoek hier niet naar sterrenrestaurants, de gastronomische tradities en innovaties zijn hier zo diepgeworteld en spreken zo voor zichzelf dat niemand een ster nodig heeft.

    Franciscus en Benedictus

    De Via Francigena, de Via Romea Germanica en de Romea Strata zijn gebaseerd op oude pelgrimsroutes vanuit het noorden naar Rome. DE twee andere routes, de Cammino di San Francesco (Franciscusweg) en de Cammino di San Benedetto (Benedictusweg) zijn de dragers van twee grote tradities van de Europese spiritualiteit. Ze doorkruisen het binnenland van Lazio, langs tal van abdijen, kluizenaarsplaatsen, dorpen en Apennijnse landschappen, waar de christelijke spiritualiteit vanaf de vroege middeleeuwen vormen aannam die de Europese geschiedenis diepgaand hebben beïnvloed. Dit gebied kent (nog) geen massatoerisme. Antichi Cammini d’Italia maakte dit erfgoed zichtbaarder en toegankelijker te maken en bevordert een trage, duurzame en intensieve manier van reizen.

    Franciscusweg

    De Franciscusweg verbindt de belangrijkste plaatsen uit het leven van Franciscus van Assisi (1182–1226). De route bestaat uit twee hoofdtrajecten die samenkomen in Assisi. De 300 kilometer lange zuidelijke route loopt grotendeels door Lazio. Het spirituele hart van deze route ligt in de ‘Heilige Vallei’ van Rieti. Binnen een klein gebied bevinden zich vier franciscaanse heiligdommen, die verbonden zijn met belangrijke momenten uit het leven van Franciscus. De franciscaanse traditie is gebaseerd op de relatie met de natuur, de gemeenschap en de meest kwetsbaren.

    Greccio is de plaats waar Franciscus in 1223 de eerste kerststal in de geschiedenis creëerde. Die traditie evolueerde in deze streek heel anders dan in het noorden van Europa. Ze telt vooral veel meer figuren en de ‘stal’ of ‘presepe’ vormt dikwijls het middelpunt in een drukke, eveneens met menselijke en andere figuren gevulde, stedelijke omgeving. Andere opvallende plaatsen langs de Franciscusweg zijn Fonte Colombo, waar hij de regel van zijn orde formuleerde en La Foresta, verbonden met het zogenaamde wonder van de druiven.

    Benedictusweg

    De Benedictusweg verbindt de markante plaatsen uit het leven van Benedictus van Nursia (circa 480–543), stichter van het westerse monnikendom en sinds 1964 patroon van Europa. Het langste en narratief rijkste gedeelte van de 300 kilometer lange route loopt door Lazio, via de centrale Apennijnen tot Monte Cassino. In de omgeving van Assisi (Umbrië) overlapt het traject over een beperkte lengte sommige varianten van de Franciscusweg. Stevige pelgrims combineren op die manier beide routes in één langere tocht.

    In de hele regio Lazio bestonden talrijke kloosters, maar zelfs in de middeleeuwen was het monnikenleven niet altijd even aantrekkelijk. Af en toe werden kloosters gesloten en/of overgenomen door andere ordes. Wegens de rijke historische en vooral architecturale achtergrond steekt de overheid vandaag de dag een handje toe bij de bewaring van het erfgoed, al is het niet vanzelfsprekend een andere dan museale bestemming te vinden. Heel wat kloosterwinkels bieden ambachtelijke producten aan, zoals honing en lokale wijnen.

    Een interessante plaats onderweg is Subiaco. Daar zou Benedictus wel twaalf kloostergemeenschappen gesticht hebben. De Sacro Speco is gebouwd tegen een rotswand, rond de grot waar Benedictus jarenlang als kluizenaar leefde. Indrukwekkende fresco’s beelden het leven van Benedictus uit. Ze verbergen niet dat er zich ook in kloosters ernstige interne conflicten afspeelden, die wel eens gepaard gingen met gewelddaden. Benedictus verkaste niet voor niets naar het meer zuidelijke Monte Cassino.

    Op een nabije heuvel staat de abdij van Santa Scholastici, de tweelingzus van Benedictus. Deze abdij is, samen met Venetië, de bakermat van de Italiaanse boekdrukkunst. In 1465 werkte hier de eerste drukpers van Italië. Deze abdij is nog altijd actief in het maatschappelijke leven, als school.

    Apotheek

    Elke abdij heeft een eigen karakter, met kenmerkende architectuurperiode, ligging in het landschap, herinneringselementen aan zeer strenge tot zachtere kloosterregels of huidige invulling. Zo ademt de Certosa di Trisulti (‘certosa’ (kartuize) doordat de benedictijnen er ooit werden afgelost door kartuizers en die dan weer door cisterciënzers), de sfeer van de achttiende eeuw uit. De vroegere botanische tuin, vandaag veeleer een siertuin, oogt niet indrukwekkend, maar de oude apotheek in het gebouw erachter doet dat des temeer, zowel door de inhoud en opstelling als door de trompe l’oeil fresco’s. Vandaag leven er geen monniken meer in de certosa, maar probeert de regio Lazio ze op de kaart te zetten als toeristische attractie. Dat is een zachtere bestemming dan het omstreden plan van voormalig Trump-adviseur Steve Bannon, die in 2018 aankondigde dat hij er een soort gladiatorschool voor ambitieuze rechtse politici wou onderbrengen, maar in 2024 door een rechtbank werd teruggefloten.

    Monte Cassino

    Monte Cassino is veruit het bekendste klooster ten zuiden van Rome en één van de grootste wereldwijd. Het werd rond 529 gesticht door Benedictus, die er ook begraven ligt in de weelderige crypte. Latere bewoners speelden een belangrijke rol in het vertalen van Arabische werken over geneeskunde voor het christelijke Europa.

    In de middeleeuwen had het klooster meermaals te lijden onder militair geweld, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de gebouwen volledig vernield door een geallieerd bombardement. De geallieerde bevelhebbers vermoedden dat de Duitsers er zich verschanst hadden, maar dat was niet het geval. Ze hadden wel stelling genomen in de bergwand en op de heuvel waarop het klooster was opgetrokken. Vandaaruit kon hun geschut de brede omgeving controleren. Na het bombardement namen ze ook in de kloosterruïne hun intrek.

    Nog voor het bombardement hadden de monniken het klooster verlaten en waren ook de kunstwerken en antieke boeken geëvacueerd. De meeste burgerslachtoffers vielen dan ook niet in het klooster, maar in de omliggende locaties. Enkele honderden vluchtelingen hadden hun intrek genomen in de fundamenten van het gebouw. De meesten overleefden de bommenregen, dankzij de solide stenen basis. Dat er toch slachtoffers vielen was vooral te wijten aan een kapotgemaakt waterreservoir.

    Oorlog en vrede

    De Gustavlinie, de belangrijkste Duitse verdedigingslinie in Italië, liep langs Monte Cassino. Pas na verschillende aanvalspogingen en een maandenlange strijd (januari-begin juni 1944) konden de geallieerde legers een doorbraak forceren. Uiteindelijk veroverde het Poolse 2de Korps onder bevel van Wladyslaw Anders (1892-1970) het gebouw. Dit leger bestond grotendeels uit in 1939 door de Sovjet-Unie krijgsgevangen gemaakte Polen, die na de Duitse inval in de Sovjet-Unie waren vrijgelaten en via Iran, Irak en Egypte naar het westelijk front waren gestuurd. Een van hen was de latere Israëlische premier Menachem Begin (1913-1992).

    De gevechten veroorzaakten zware menselijke verliezen in de legers die eraan deelnamen. Voor 1.072 gesneuvelde Poolse soldaten én hun in 1970 bijgezette generaal werd nabij de abdij een afzonderlijk soldatenkerkhof opgericht, met een museaal info- en onthaalcentrum. Hun grafstenen verschillen naargelang hun godsdienstige overtuiging: katholiek, Joods of oosters orthodox. Het kerkhof is ingericht in de vorm van een kelk, met de inkomzone als basis, een lange rechte weg naar de eigenlijke graven, die samen een halve cirkel vormen.

    Na de oorlog zijn kosten nog moeite gespaard om de abdij te heropbouwen. Waar mogelijk gebeurde dit met oorspronkelijke materialen, maar het grootste deel van het huidige complex is een reconstructie.

    De abdij is met de wagen bereikbaar, maar wie fit is en graag van het landschap geniet kan ook gebruik maken van het pelgrimspad vanaf het dorp Santa Lucia, waarbij je over een afstand van bijna 6 kilometer een hoogteverschil van bijna 350 meter overbrugt. Een korter traject, over een oud muilezelspad, is slechts een kleine 3 kilometer lang, maar het hoogteverschil blijft hetzelfde.

    Roestige relicten

    Tussen de verbrokkelde steentjes op het pelgrimspad vind je nog altijd talrijke stukjes roestig ijzer. Dat zijn uit elkaar gespatte resten van de 453,5 ton explosieve en brandbommen van het luchtbombardement. De huidige officiële rondleidingen staan dan ook sterk in het teken van de vrede.

  • In vijf jaar meer dan 90 nieuwe West-Vlaamse picknickzones

    In vijf jaar meer dan 90 nieuwe West-Vlaamse picknickzones

    Met de opening van een nieuwe picknickzone aan de Tervatebrug heeft Westtoer, de West-Vlaamse dienst voor toerisme, zijn picknickplan afgerond. De nieuwe rustplek, in een groene zone aan de oever van de IJzer in Stuivekenskerke (Diksmuide) was de ontbrekende schakel in een traject dat in 2020 werd opgestart. In elke West-Vlaamse stad of gemeente kwam er minstens één nieuwe picknickplek. Bovendien werden in totaal 92 nieuwe picknickzones ingericht.

    Het picknickplan kwam er na bevragingen bij recreanten. Daaruit bleek een duidelijke nood aan bijkomende rust- en picknickplaatsen langs de provinciale fiets- en wandelroutes. Westtoer bracht vanaf 2020 blinde vlekken in kaart om nieuwe zones te realiseren. De eerste nieuwe zone werd opgeleverd in 2021 aan de Maerebrug in De Panne.

    Bewogen verleden

    Bij de inrichting van de picknickzone aan de Tervatebrug werd gekozen voor duurzame materialen en een landschappelijke integratie. Streekeigen beplanting zorgt voor beschutting en schaduw, terwijl de openheid van het landschap behouden blijft. De locatie biedt wandelaars en fietsers een plek om even halt te houden en te genieten van de omgeving. De picknickzone ligt op een recreatief knooppunt langs het recent vernieuwde fietsnetwerk, de bewegwijzerde Boterlandfietsroute en de Frontroute 14-18: een van de negen Vlaamse icoonfietsroutes.

    De site heeft ook een belangrijke historische betekenis. Ter hoogte van de Tervatebocht vonden tijdens de Eerste Wereldoorlog zware gevechten plaats nadat Duitse troepen er de IJzer overstaken. Een monument herinnert aan de gebeurtenissen en jaarlijks vindt er een herdenking plaats voor de gesneuvelden.

    Overigens bevinden alle picknickzones van het picknickplan zich op locaties met een bijzondere landschappelijke, recreatieve of erfgoedwaarde. Ze liggen aan het water, in het groen of op plekken met een uniek uitzicht én steeds langs fiets- of wandelknooppunten of langs bewegwijzerde routes.

    De nieuwe picknickplaatsen bevinden zich steeds langs fiets- en wandelroutes op bijzondere plekken, in Zonnebeke picknick je bijvoorbeeld langs de druivenranken van wijndomein Altinus. ©Westtoer.

    Picknickkasten

    West-Vlaanderen telt bovendien steeds meer initiatieven die picknicken combineren met streekbeleving. Op verschillende locaties kan je vooraf een picknick reserveren en ophalen in een picknickkast. Na je bestelling ontvang je een persoonlijke code waarmee je je picknick of aperobox ter plaatse kan ophalen. Recent werden er picknickkasten geïnstalleerd in Wijtschate (Heuvelland), Poperinge en Veurne. Ook in Menen en Zwevegem staan er al picknickkasten van Westtoer.

  • Rennen langs street art in Den Haag

    Rennen langs street art in Den Haag

    Hardlopers kunnen deze zomer Den Haag op een bijzondere manier ontdekken. Museum Mauritshuis en verzekeraar Nationale-Nederlanden ontwikkelden samen drie hardlooproutes langs grote street art muurschilderingen.

    Deze murals kwamen in 2024 tot stand, ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van het museum. Later kreeg dit project landelijke opschaling. Zes street artists maakten de werken in Den Haag, elk geïnspireerd op een meesterwerk uit de collectie van het Mauritshuis. Samen vormen ze een bijzondere openluchtgalerie. De langste route (ongeveer 15 kilometer) gaat langs alle zes de Mauritshuis-murals in de stad, de kortere routes (ongeveer 10 en 5 kilometer) langs vier en twee murals.

    Elke afstand is eenvoudig te downloaden via de website van het Mauritshuis of te importeren in een navigatie-app of sporthorloge. Hardlopers – en wandelaars – kunnen ook hun eigen route langs de kunstwerken samenstellen. Voor wie onderweg meer wil ontdekken over het museum en zijn collectie, is er de podcast Het geheim van het Mauritshuis om tijdens het lopen te beluisteren. De routes leiden je onder andere langs murals van Nadia van Luijk (geïnspireerd op Vaas met bloemen van Jan Davidsz de Heem) en Beyond (geïnspireerd op Diana en haar nimfen van Johannes Vermeer).

    Win een Mauritshuis goodie bag

    Het Mauritshuis nodigt hardlopers uit om hun run te delen op Instagram. Onder de inzendingen worden vijf Mauritshuis goodie bags met een waarde van 100 euro verloot. Meedoen kan door uiterlijk 15 juli een foto of bericht van de run te plaatsen met een openbaar Instagram-profiel, @mauritshuis_museum te taggen en de hashtag #mauritshuismurals te gebruiken.

  • Wandelbos Slotendries na drie jaar weer open

    Wandelbos Slotendries na drie jaar weer open

    Wandelbos Slotendries in de Gentse deelgemeente Oostakker is vanaf 1 juli 2026 weer toegankelijk voor wandelaars en joggers. De voorbije drie jaar was dit niet mogelijk.

    Het Slotendriesbos, naast het bedevaartsoord met Lourdesgrot, is nu bijna 5 hectare groot. Dankzij een overeenkomst tussen de eigenaar en de stad Gent was het sinds de jaren 1970 toegankelijk voor wandelaars, maar daar kwam in mei 2023 verandering in. Om het bos opnieuw open te kunnen stellen, startte het stadsbestuur van Gent een onteigeningsprocedure. Die kreeg eind vorig jaar groen licht. Intussen hebben de stadsdiensten gesnoeid waar nodig en ligt de veiligheidscontrole van de bomen achter de rug.

    Projectplan. Foto: stad Gent.

    Het wandelbos maakt deel uit van een groengebied dat via toekomstige aanplantingen en door aansluiting met bestaande, kleine bosjes ruim 15 hectare groot wordt. Al 70% van dat gebied is aangekocht. De komende jaren worden er nog opruim- en afbraakwerken uitgevoerd tussen de Gentse Ringweg (R4) en de campus Oostakker van de scholengroep Edugo en worden er extra percelen aangekocht. Een deel van de nieuwe aanplantingen wordt langs de overkant van de R4 uitgevoerd. Zo ontstaat langs beide kanten van de ringweg een groenbuffer. Nog later zal de stad het gebied inrichten met onverharde paden en zitbanken.

    Sterrenbos

    Het Slotendriesbos bij het gelijknamige kasteeldomein, was in oorsprong een ‘sterrenbos,’ een open bos met stervormig wandelpatroon. Deze padenstructuur is door de jaren heen gedeeltelijk verdwenen, maar de stad Gent wil dit herstellen, met respect voor de aanwezige natuurwaarden. Het bedevaartsoord zal ook in de toekomst een stiltegebied blijven, een plaats waar mensen troost en steun kunnen vinden.

    Slotendries R4. Foto: stad Gent.

    In het wandelbos komen verschillende soorten zeldzame vleermuizen voor, waaronder de rosse vleermuis, de watervleermuis en de grootoorvleermuis. Zij zijn voor hun overleving afhankelijk van de veteraanbomen in het bos. Vooral de oude beuken en eiken dienen als uitvalsbasis voor deze soorten. Ook dwergvleermuizen en laatvliegers gebruiken het bos en de nabije omgeving als foerageergebied.