Auteur: Hans Adema

  • Witbruin franjekelkje

    Witbruin franjekelkje

    Ik heb eindelijk weer tijd om columns te schrijven. Enige tijd geleden onderging ik in verband met mijn prostaatkanker een PET-Scan. Gelukkig waren mijn zusjes die mantelzorger zijn, mee. De scan zelf stelde niet veel voor en was ook niet eng. (Tenzij je claustrofobie heb).  Mijn zusjes hielpen me als chauffeur en om me gezelschap te houden. Het kost je namelijk bijna de hele dag. Alleen al het in je lichaam verspreiden van een radioactief contrastmiddel duurt een vol uur. Daarna een dag tot mezelf komen en uitrusten, zeg maar: ‘in mijn bed blijven hangen’.

    Woensdag heb ik de reeds gemaakte microscoopfoto’s bij elkaar gezocht. Vreemd genoeg kon ik ze op de laptop en op de externe back-up (Verbatim) niet vinden. Op zich niet erg, als ik ze echt kwijt was betekende dat nieuwe preparaten maken. Maar ja, dat kost tijd, veel tijd, hoe leuk ik het ook vind. Opeens kreeg ik een ingeving: “Kijk eens op de microscoop USB-stick!”  Daar waren ze! Ik had ze nog niet geupload. 🥲 Vergeetachtigheid hoort bij ouder worden, nietwaar? 😂.

    Wie een paddenstoel gedetermineerd wil hebben weet het. Vraag het aan mij en ik ga aan de slag. Vooral als het paddenstoelen betreft die onder de microscoop moeten worden onderzocht. Het is al februari, ook het winterseizoen is al bijna voorbij. Wat er nu overblijft aan paddenstoelen is voor de doorgewinterde liefhebber. Kleine, nauwelijks zichtbare zwammetjes, vooral op takjes en bladeren, meestal op de bladstelen. Zo stuurde Paulien Bruné van mijn paddenstoelengroep een vraag of ik dit paddenstoeltje voor me op naam wilde brengen. Stuur het materiaal maar op, riep ik enthousiast. Zo gezegd, zo gedaan. Het takje kwam veilig door de brievenbus.

    Het takje van Paulien.

    Door de geringe grootte gaat het materiaal niet snel kapot. Niet dat dat erg is, de microscopische kenmerken blijven toch intact. Zelfs als de paddenstoel in post geplet is, iets dat me geregeld overkomen is. Gelukkig was er een macrofoto bij, zodat ik meteen zag dat het een franjekelkje betrof. Op het takje zitten kleine witte puntjes, ternauwernood zichtbaar met het blote oog, goed dat de macrofoto het verduidelijkte. . Op het takje zat ook een zwart korstje. “Ha”, zei ik meteen, “er zitten twee soorten op! Een bonus voor je, Paulien!”  Ik had Paulien al de naam gestuurd, het witbruin franjekelkje, om haar niet te lang te laten wachten. Ze vroeg namelijk om foto’s erbij, maar daar kwam telkens iets tussen, vooral de Olympische Spelen en dan met name het hardrijden op de schaats, waarvan ik überhaupt geen wedstrijd op de tv van oversla.

    Zodra het materiaal binnen is, maak ik er zo snel mogelijk preparaten en foto’s van. Het materiaal bewaar ik ondertussen in de koelkast. Ik denk dat mijn zusjes daarvan gruwen. Daar kan ik trouwens gruwelverhalen over vertellen van wat de conservator zoogdieren op Naturalis in de koelkast van de kantine zette. Ga Ik nog eens doen.

    Als ik er aan toe ben dan op naar de studeerkamer, mijn paddenstoelenlaboratorium, te beginnen met een halve dag van tevoren het radiatortje dat er staat aanzetten!

    Preparaat maken.

    Onder de prepareermicroscoop (binoculair in studentenjargon) een preparaat maken. Dat klinkt ingewikkelder dan het is. Je snijdt een stukje van ten hoogste 4 mm van het sporenvormende oppervlak, het hymenium, af. Dat doe je op een objectglaasje. Vervolgens een inbedmedium erop, dat tevens kleurstof is. Ik gebruik standaard Melzer’s reagens (Jodium-kaliumjodide), dat ook zetmeel aantoont. Vervolgens een dekglaasje er op en met je wijsvinger platdrukken.  Dat heet een pletpreparaat. Opletten dat er geen zandkorreltje bij zit, dekglaasjes zijn flinterdun en breken direct op een zandkorreltje, hoe klein dan ook. Dan onder de microscoop, waar een Bresser microscoopcamera op kan worden gezet, de preparaten bekijken en de mooiste uitkiezen voor een foto.  Helaas was de Bresser microscoopcamera toen alleen 16 bits te verkrijgen. Gelukkig had ik nog een oude 16 bits desktop. Daar sla ik de foto’s op, die ik vervolgens met een USB-stick beneden op de laptop kan bekijken en bewerken. Bewerken houdt niet meer in dan een mooie uitsnede maken en het geheel wat lichter maken, dat kijkt prettiger.

    Maar ter zake. Ik had macroscopisch al gezien dat het franjekelkjes, genus Lasiobelonium zijn. Er zijn vijf soorten Lasiobelonium in Nederland. Aan de hand van het microscoop onderzoek kom ik uit op Lasiobelonium variegatus, het witbruin franjekelkje. Het komt verspreid voor door het hele land.

    Op internet zijn veel foto’s van deze soort, vooral veel microscopische kenmerken. Verder heb ik geraadpleegd: Thomas Lessꭂ & Jens A. Petersen, Fungi of Temperate Europe deel 2, pagina 1377 en Peter L. Thompson, Ascomycetes in Colour. Found en photographed in Mainland Britain, pag. 132, nr. 246.

    Extraatje voor Paulien: Het zwarte korstje is een myxomyceet of slijmschimmel. Dat zag ik direct, ik heb de laatste tijd er veel van bekeken. In het preparaat zaten veel sporen, maar alleen op sporen determineren is een opgave. Verder dan het genus Didymium kom ik niet. Maar ik ben aan een column over myxomyceten bezig naar aanleiding van een vondst van Laurens van der Linden.

  • Paddenstoelen determineren

    Paddenstoelen determineren

    Van diverse kanten krijg ik vragen over hoe ik paddenstoelen determineer en hoe ik die foto’s van de sporen maak. Dus enige tekst en uitleg is wel op zijn plaats. Ik vind het zelf erg leuk om te doen, dus je kan altijd materiaal naar me opsturen.

    Foto maken.
    1. Paddenstoelen kan je gewoon per post sturen naar: Hans Adema, Rijndijkstraat 63, 2313 NH Leiden. Hele kleintjes zoals bekerzwammetjes in een lucifersdoosje met wat mos. Grotere in een groter doosje, hetzij gedroogd, hetzij met wat vochtig mos. De doosjes doe je het best in een jiffy enveloppe, zo een enveloppe met een voering van luchtblaasjes. Zodra ik ze in de post vind gaan ze direct de koelkast in tot ik tijd voor ze heb. Dat kan gerust enkele dagen duren, geen probleem. Het liefst heb ik een compleet exemplaar, voor een habitus foto. Het is ook fijn als je een foto in situ maakt en stuurt naar hnsadem@gmail.com
    Habitus.
    • Zodra ik aan het determineren toe ben maak ik eerst een habitusfoto. Daarvoor heb ik ‘speciale’ bloempotten en bloembakken in de tuin. Dan het materiaal mee naar mijn studeerkamer waar een prepareermicroscoop (‘binoculair’ in de wandeling) en een grote binoculaire laboratorium microscoop klaar staan. Eerst de cameracomputer opstarten. Dat kost namelijk enige tijd.
    Standalone desktop.
    • Onder de prepareermicroscoop een objectglaasje klaar leggen. Een paar druppels kleuringsmiddel als insluitmedium erop. Ik gebruik standaard Melzers Reagens (Jodium, Kaliumjodide en Chloraalhydraat). Eigenlijk is dat om zetmeel aan te tonen, maar het geeft het preparaat een mooie rustige kleur. In het algemeen wordt methylblauw aangeraden, maar ik houd niet van die blauwe kleur onder de microscoop.
    Stukje afsnijden.

    Met een scalpel snijdt ik nu een miniem stukje van de lamellen of de buisjeslaag. Dat leg ik in het insluitmedium. Vervolgens doe ik er een dekglaasje op en druk het met mijn vinger plat. Kijk uit dat er geen zandkorreltje mee gaat, anders breekt het glaasje direct! Nu heb je een pletpreparaat. Een prepraat in water is niet mogelijk. Sporen zijn hydrofoob en het duurt een eeuwigheid voor ze eindelijk stil liggen.

    Pletpreparaat.
    • Het pletpreparaat leg je onder de microscoop. Kies de juiste lichtsterkte en het juiste diafragma. Dan open ik de Bresser-microscoop. Helaas is deze 16 bits. Dus er staat een 16 bits stand-alone desktop naast, met een USB-stick voor de foto’s.
    Gereedschap.

    Daar gaat het prima mee en een nieuwe 32 bits Bresser microscoopcamera is een dure aankoop. Met het overzicht objectief (10x) een geschikt stukje uitzoeken, dan met de 100x een stukje uitzoeken met alle benodigde kenmerken. Vervolgens met 600x het definitieve beeld kiezen. Eigenlijk zou 1000x met olie-immersie beter zijn, maar ik vind dat nergens voor nodig en het geeft zo een geknoei.

    Bressercamera.

    Dan plaats ik de microscoopcamera op de plaats van een van de oculairs en start het cameraprogramma op. Op het scherm van de desktop een mooie uitsnede zoeken. Foto maken en de foto op ‘open en edit’ beoordelen op kwaliteit. Vervolgens het meetprogramme openen, 600x instellen en meten. Het meetoculair van de camera is geijkt met een ijkpreparaat.

    Meting in beeld.

    Vervolgens de foto’s (in een aparte map natuurlijk) op de USB-stick overzetten. Het voorbereidende werk is nu klaar. Het determineren gaat verder op mijn laptop beneden.

  • Is ie eetbaar?

    Is ie eetbaar?

    Het is alweer enige tijd terug dat ik mijn laatste verhaal geplaatst heb. Niet dat ik een serieus writers block heb, maar het is wel de vijfde keer dat ik opnieuw begin. Een van de redenen van mijn writers block is een praktische. Ik heb geen inspiratie omdat het zo bloedheet is in mijn huis. Direct naast mijn laptop staat een ventilator, maar dat helpt maar een beetje. En een lekker koel pilsje mag niet meer van de oncoloog. Alle probeersels heb ik tot nu toe afgekeurd.

    Wob zoekt ook de koele plekken op.

    Ook mijn huisgenoot Wob heeft duidelijk last van de hitte, hij zoekt koele plekken op en er is weinig beweging in hem te krijgen. Maar vreemd genoeg en tot mijn opluchting lijdt zijn eetlust er niet onder. Hij is onverzadigbaar, nietwaar Wob? Ik heb juist minder trek in eten met die hitte. Maar ja veel cola light en vele liters Spa rood houden me op de been.

    Mijn verhaal sluit een beetje aan op mijn vorige.  Wordt het een goed paddenstoelenseizoen? In ieder geval worden er op Waarneming en op Facebook veel foto’s van paddenstoelen geplaatst. Vaak alleen een (slechte) foto en er onder de vraagt: “Hoe heet ie?” Zo ook toen ik net klaar was met het reuzenbovisten verhaal. Een foto van een duidelijke boleet. Als de vraagsteller een willekeurig paddenstoelengids gepakt had, had hij of zij direct de naam geweten, nl eekhoorntjesbrood. Een soort met geen ander te verwisselen, behalve dat er vele soorten eekhoorntjesbrood zijn. Voor de culinaire liefhebber maakt dat niet uit. Ze zijn allemaal even eetbaar en smakelijk.

    Maar goed, de vraagsteller had de foto geplaatst met de vraag “hoe heet ie?”. Ik besloot antwoord te geven en zei: “dit is het vroeg eekhoorntjesbrood”. Vraagsteller reageerde zoals gewoonlijk met één wedervraag. Het onvermijdelijke ‘eetbaar?’. Ik zou keihard willen uitroepen: “NEE!!” Als je zo’n overduidelijke soort niet zelf op naam kan brengen, mag je hem niet plukken om te eten. Wildplukken is een hype aan het worden. Met als gevolg dat onervaren paddenstoelenliefhebbers zich eraan wagen. NOOIT paddenstoelen verzamelen als de benodigde kennis je ontbreekt! En dat geldt maar al te goed voor de meeste wildplukkers. Ik determineer voor ziekenhuizen, huisartsen en dierenartsen paddenstoelen als men een vergiftiging vermoedt, of een in het gras spelende kleuter een paddenstoeltje gegeten heeft. Dat gebeurt heel vaak en betreft zonder uitzondering altijd de gazonvlekplaat. Geen giftige soort, maar hij is smakeloos tot vies.

    Afgelopen zondag werd ik gewhatsappt door een huisarts uit Emmeloord. Een patiënt van hem, een 11-jarige jongen met syndroom van Down, had in de tuin van de instelling waar hij woonde drie kleine bruine geschubde paddenstoeltjes gegeten. Ik schoof alles waar ik mee bezig was opzij, want dit heeft uiteraard prioriteit. Na veel wikken en wegen kwam ik aan de hand van mijn bibliotheek, vooral het boek ‘Fungi of Temperate Europe’ (twee delen; het beste en vooral het zwaarste determineerwerk) kwam ik uit op de zogenaamde ‘gewone viltkop’. Gelijk de arts terug gewhatsappt dat hij zijn patiënt goed in de gaten moest houden, want het is een giftige, weliswaar niet dodelijke,  soort. Ik heb er helaas niks meer over gehoord. Ik heb graag feedback.

    Terug naar de eekhoorntjesbroden. Ik schreef dat alle soorten eetbaar en smakelijk zijn. Er zijn geen giftige dubbelgangers. Maar, let op!, er is een addertje onder het gras. Er bestaat een soort die een beetje op eekhoorntjesbrood lijkt, maar direct te herkennen is aan de vuilroze kleur van de poriën. Dat is de bittere boleet. En die is ongelooflijk smerig bitter. Mocht je er eentje per ongeluk in je maaltijd verwerkt hebben, dan kan je hele gerecht de vuilnisbak in. Ik heb de bittere boleet één keer gevonden, tijdens een fietstochtje langs de Veluwezoom. Nieuwsgierig als ik ben en zoals het een wetenschapper betaamt, moest ik hem tegen beter weten proeven. Maar op deze smerige bittere smaak had ik niet gerekend. Ik ben direct weer op mijn fiets gesprongen en naar de dichtstbijzijnde benzinepomp gereden. Winkels waren toen nog niet open op zondag en zeker niet op de Veluwezoom. Ik heb een paar grote rollen pepermunt gekocht om van de smaak af te komen. En dat heeft geruime tijd geduurd.

    Ik wil tot slot nogmaals benadrukken: ga niet zonder kennis wildplukken. En vergewis je van de goede soort door hem tig keer van alle kanten te onderzoeken. Je vergissen met een vies smakende soort kan ook en dan verpest je je maaltijd. Wil je een foto op Waarneming plaatsen of op Facebook, fotografeer de paddenstoel dan van alle kanten en vergeet zeker de onderkant niet. Ook voor Roots determineer ik paddenstoelen van foto’s en schrijf er vervolgens een verhaaltje bij. Laatst stuurde de hoofdredacteur me een foto met de opmerking erbij: “Hier kan je zeker niets mee?” Laat het nou toevallig een soort zijn die ik heel goed ken. U ziet in de volgende Roots wel de uitkomst.

    En tot slot. Wat ik in het algemeen verteld heb over paddenstoelen geldt natuurlijk ook voor planten. Ook hier: ‘zonder gedegen kennis waag je er niet aan’. Je zal maar dolle kervel plukken in plaats van het keukenkruid kervel!

  • Raar jaar voor noten, vruchten en hopelijk ook paddenstoelen

    Raar jaar voor noten, vruchten en hopelijk ook paddenstoelen

    Dit wordt een rare zomer en herfst. Ik had om te beginnen ongelooflijk veel gele frambozen in de tuin. En op Facebook zie ik regelmatig de dagoost, zo veel en grote frambozen om jaloers op te worden! Ik kan mijn frambozen niet meer plukken, daar ben ik helaas niet meer mobiel genoeg voor. Maar ze zijn allemaal opgegeten door vogels, die profiteren van het feit dat ik me niet vrij in de tuin in kan bewegen. Sowieso past de rollator niet door de keukendeur. Niet omdat die te smal is, maar ik heb mijn wasmachine en koelvries combinatie wat ongelukkig neergezet. Mijn hazelaar zit barstenvol hazelnoten.  Zodra ze rijp zijn en eruit vallen plaats ik een oproep op Facebook dat een liefhebber ze mag komen rapen. Mits hij of zij een bakje vol voor mij bewaart.

    Ook meldde iemand me dat bramen uitzonderlijk rijk dragen. Ik had bij het Pesthuis, dat toen dat nog onderdeel van Naturalis was, een paar geheime hoekjes met volop braamstruiken, ongelooflijk lekkere zoete! Ik hield de plek angstvallig geheim. Tot mijn schrik las ik vorige week in het Leidsch Dagblad dat de gemeente het gebied rond het Pesthuis aan het ‘ontwikkelen’ is. Leiden en ‘ontwikkelen’, dan weet je het wel. Gelukkig zijn de huisjes bij het Pesthuis monument, maar de bewoners zijn er niet gerust op. De gemeente zal ongetwijfeld er van uitgaan dat als ze de huisjes in appartementen opdelen ze meer huur kunnen opbrengen. Bij het maken van een ontwikkelingsplan zijn bewoners alleen maar ballast.

    Maar goed, ik wou het nu over paddenstoelen hebben. Ik ben heel benieuwd wat voor paddenstoelenjaar het wordt. In Nature Today van 2 juli stond een verhaaltje over de eerste reuzenbovist van dit jaar. Kent u de reuzenbovist, Calvatia gigantea? Als u er eenmaal een gezien hebt, vergeet u de soort nooit meer. Reuzenbovisten zijn grote witte bollen, die het formaat van een fikse voetbal, zo niet groter, kunnen krijgen. En vaak door kinderen dan ook voor een voetbal worden aangezien, met alle gevolgen van dien. Ze zien er dan ook heel uitnodigend uit om er een grote trap tegen te geven.

    De reuzenbovist is te vinden van de vroege zomer tot in de vroege herfst, maar toch wel met een piek in de zomer. Het is een paddenstoelen die je zelfs uit de auto of de trein met zekerheid kan determineren, zoals Nico Dam en Thomas Kuper in de Veldgids Paddenstoelen deel II zeggen. De soort is goed eetbaar en bij veel mycofagen populair. Voorwaarde is wel dat de vruchtlichamen bij doorsnijden spierwit zijn, begint het vruchtvlees geel te verkleuren dan gaan de sporen rijpen en is hij niet meer geschikt voor consumptie. In jaren dat er veel zijn – ik vermoed en hoop dit jaar – worden ze ook wel in groentewinkels of op de markt verkocht. De speciale paddenstoelenkraam op Leidse markt had er ooit veel in voorraad en op verzoek van de uitbaatster heb ik een A4’tje info geschreven dat ze aan belangstellende klanten kon meegeven. Als dank kreeg ik een halve reuzenbovist mee naar huis. Mocht u denken dat ik nu juichend ga vertellen wat voor een delicatesse het was, dan heeft u het mis. Ik heb de paddenstoelen eerst geschild en vervolgens gesmoord in roomboter met uitjes. De smaak en consistentie van de reuzenbovist zijn precies die van tahoe. Je moet er wat bijdoen, zoals in mijn geval de roomboter en de uitjes, om ze smakelijk te maken.

    Hitlers secret weapon

    De reuzenbovist spreekt door zijn imposante verschijning sterk tot de verbeelding. De grootste die ik ooit gezien heb zal een centimeter of 80 geweest zijn. In Polderpark Cronesteijn, bij mij om de hoek, op een mooie zondagmorgen. Ik was een rondje Leiden-Leidschendam-Den Haag en terug aan het fietsen. Bij terugkomst in Cronesteijn aan het begin van de middag waren ze allemaal kapotgetrapt. Helaas was dit voor het digitale tijdperk, dus ik heb er geen foto’s van. In Amerika is het eind van de 19e eeuw voorgekomen dat men dacht dat er een dood schaap in het weiland lag. Een van de vinders heeft er een foto van gemaakt terwijl hij het vruchtlichaam omarmd. Ik heb geprobeerd om die foto terug te vinden op internet, maar helaas. Ramsbottom (1953) geeft de precieze maten, de lengte was 5 ft 4 in. Omrekentabel op het internet geeft aan dat dat dus 152 cm was. Uiteraard gebruikt Ramsbottom Engelse maten. Metrieke maten waren (en zijn) iets van dat rare vaste land.  In Kent werd aan het eind van de tweede wereldoorlog bij een eik een grote reuzenbovist gevonden. Men benaderde het exemplaar met grote voorzichtigheid om dat gedacht werd dat het een door de Duitsers gedropt explosief was. Later is het bij de vindplaats tentoongesteld met een bordje erbij: ‘Hitlers secret Weapon’.

    Ooit werden er bij de verbouwing van de salon in een landhuis bij Kew (Londen) onder de vloer uitgedroogde exemplaren aangetroffen. De bouwvakkers zagen ze aan voor menselijke schedels en haalden de politie erbij. De politie was zo slim om plantkundigen van Kew Gardens te raadplegen die al snel met de oplossing kwamen.

    Als de sporen rijpen verandert het vruchtlichaam in een pluizige bol waar als je er even tegen aantikt grote wolken sporen kan zien ontsnappen. De bollen liggen los op de grond en worden door de wind makkelijk weggeblazen. Ze worden daarom wel eens vergeleken met tumbleweed zoals we dat vaak ziet in westerns. Dat is dan weer vermakelijk. Tumbleweed is afkomstig uit Siberië en is per ongeluk in de Amerikaanse prairie terecht gekomen. Eén reuzenbovist vorm sporen in een aantal die ons bevattingsvermogen ver te boven gaan. Dan te bedenken dat er maar heel weinig daarvan tot de vorming van een mycelium overgaan. De eisen die de soort aan de omgeving en andere factoren stelt om te kunnen ontkiemen zijn extreem streng en nog onopgelost. Het gevolg is ook dat de reuzenbovist niet kan worden gekweekt. Wil je reuzenbovisten eten dan moet je ze in het wild verzamelen. Toen er enkele jaren geleden in Groningen in een weiland veel stonden, heeft er dagen achter elkaar bij een studenten-eetcafé in de stad Groningen gebakken reuzenbovist op het menu gestaan. Ik heb het helaas niet terug kunnen vinden. Ik heb alle spijskaarten van de Groningse eetcafés nauwkeurig uitgepluist.

    De inhoud van de pluizige bollen bestaat uit losse draden, de capillitiumdraden, en sporen Het is bloedstelpend en werd (wordt?) daar ook veelvuldig voor gebruikt. Vroeger hingen er in Britse keukens enkele exemplaren aan een haakje voor eerste hulp bij in het in de vinger snijden. En nog steeds, zei Ramsbotton. Maar hij zei dat in 1953!

    Het boek van Ramsbottom (1953) ‘Mushrooms and Toadstools, a Study of the Acitvites of Fungi’, (Collins London) is het leukste paddenstoelenboek dat ik ken. Voor de liefhebber een echte aanrader.

  • Wennen aan olijfolie en knoflook

    Wennen aan olijfolie en knoflook

    Toen na de tweede wereldoorlog de welvaart steeg, veranderde langzaam maar zeker ook de vakantiebesteding. Mijn ouders gingen met het gezin wandelen in de buurt, vanuit het ouderlijke huis was het maar een stukje lopen en je was in het groen. Dat was in de omgeving van Nijmegen. Ik was zelf te jong om dat bewust mee te maken, dat kwam pas nadat we in 1956 naar Den Haag verhuisd waren.

    Ook bij Den Haag waren er genoeg plekken voor wandeltochtjes. Bovendien had mijn vader inmiddels een auto, dus waren de mogelijkheden voor dagtochtjes groter. Ik noem het strand, Meijendel, Duinrell, Pan van Persijn en dergelijke. De duinen stonden vol met verlaten bunkers. De meeste daarvan zijn er nog, zorgvuldig verborgen onder het zand. Je kan onder de duinen van Katwijk door naar Scheveningen lopen. Deze gangenstelsels zijn niet toegankelijk, het is te gevaarlijk en bovendien leven er grote hoeveelheden vleermuizen. In de coronatijd werden er illegaal houseparty’s in de bunkers gehouden. Levensgevaarlijk door de slechte luchtventilatie met zoveel bezoekers. Het gevaar op koolmonoxidevergiftiging is erg groot. Bovendien verstoorden de houseparty’s de vleermuizen.

    Eind jaren ’50 gingen de eerste mensen verder weg op vakantie dan rond hun eigen omgeving. Mijn buurvriendje Jopie ging als eerste met zijn familie ver weg, helemaal naar Vrouwenpolder. Mij klonk dat in de oren als het eind van de wereld, waar ik me geen voorstelling van kon maken. Toen ik hel later bezocht met strandexcursies dacht ik, wat een saaie boel is het hier. Weg mijn illusie van het einde van de wereld.

    Weer later gingen de mensen naar het buitenland, mijn vriendje Jopie uiteraard als eerste. Nu helemaal naar Zwitserland. Hij vertelde mij spannende verhalen over haarspeldbochten en hij nam mooie stenen mee, met allerlei glitters. Ik kon de stenen met behulp van een stenengids van mijn broer herkennen als gneis.

    Vervolgens reisde men verder naar het Zuiden: Zuid-Frankrijk, Spanje, Portugal en andere Middellandse Zeelanden. Rond 1960 waren auto’s betaalbaar geworden. Bovendien raakten caravans in zwang. (Ik begreep dat de caravan nu een comeback maakt.) Men genoot van het mooie weer aan de verre stranden. Alleen het eten!? Dat was men daar niet gewend. Als je vertelde dat je naar Zuid-Europa ging, werd je aan alle kanten gewaarschuwd: “Kijk uit, ze doen overal olijfolie in. Daarvan ga je aan de schijterij” En: “in bijna alles zit knoflook, je stinkt na het eten een uur in de wind. De geur komt uit al je poriën”.

    Zo gewaarschuwd toog men er op uit naar de spannende vakantielanden in de zuidelijke zon. De auto (en/of de caravan) volgestouwd met wat je als huiverige Hollander bij je moest hebben. Vader en moeder op de voorstoelen, de kinderen op de achterbank en alle lege ruimte daartussen volgestouwd met aardappelen, blikken appelmoes en blikken ballen gehakt. En vergeet de hagelslag en pindakaas niet. In een reportage uit ‘Andere Tijden’ wordt een vrouw geïnterviewd die desgevraagd zegt dat ze geen olijfolie moet. Ze wil aan haar gezondheid denken en ons lichaam is niet gebouwd om olijfolie te verteren. Kijk, daar heb je die schijterij weer! De vrouw van het interview houdt het bij Hollandse kost.

    Zie: https://npokennis.nl/story/3/hoe-vierden-we-vroeger-vakantie.

    Ik heb op internet gezocht naar bevestiging van deze overlevering, die ik van mijn oudere broers en zussen meekreeg. Verhalen te over! Dat maakte me overmoedig. Zouden er ook toeristen geweest zijn die erwtensoep meenamen naar het zuiden? Ik heb heel internet afgezocht, maar ik heb niks kunnen vinden. Helaas. Persoonlijk moet ik er niet aan denken, maar voor mij waren de mensen die van hieruit de Hollandse pot meenamen ook een gruwel. Niks zo leuk als eten in andere landen ontdekken. Maar ja, ik was als tiener al dol op olijfolie en knoflook.

    Bij mijn research vond ik een verslag van een verkeerscontrole, waarbij alle auto’s met caravan aan de kant gezet werden om te wegen. Er was één bestuurder wiens caravan 300 kilo te zwaar was. Van die 300 kilo was alleen al 50 kilo aardappelen! In Vlaanderen at men in de jaren ’50 en ’60 maar liefst 150 kilo aardappelen per gezin per jaar, las ik net. Nu is dat 85 kilo. Maar 50 kilo mee op vakantie??? Wat moet je er mee?

    Overigens waren knoflook en olijfolie in Nederland in de jaren ’50 en begin jaren ’60 ook geen gemeengoed. Knoflook werd hier geïntroduceerd door Marokkaanse gastarbeiders of leerden Nederlanders eten op vakantie. In het kerstpakket van mijn vader zat altijd een blik olijfolie. Mijn moeder was ook niet bekend met olijfolie, dus het blik verdween in de voorraadkast. Totdat mijn oudste zus met de kerst langs kwam, die wist er wel raad mee.

    Ik gebruik veel knoflook en olijfolie. Olijfolie voor bijna alles. Maar één ding kan je niet goed met olijfolie: frituren. Tol Hansse slaat de plank dus mis in deze strofe:

    En daar staat een Arabier

    Eet patat met veel plezier

    Gebakken in, da’s interessant

    De olie uit z’n vaderland

    Frituren gaat het best bij 170° tot 180°. Maar bij die temperatuur gaat de meeste olijfolie achteruit of zelfs verbranden. Bovendien vergat Tol Hansse dat een frituurkraam beslist voor andere olie zal kiezen dan voor dure olijfolie! Persoonlijk gebruik ik olijfolie voor in de sla en dergelijke Bakken doe ik met Calvé arachideolie of Croma. Voor echt heel hoog verhitten heb ik rijstolie in huis.

  • Doodskap en paardenradijs

    Doodskap en paardenradijs

    Niets vermoedend zat ik onlangs naar het NPO-nieuws te luisteren op Radio 2, samen met radio West mijn favoriete zender. In het nieuws en later in een praatprogramma ging het over een Australische vrouw die twee jaar geleden haar ex-schoonfamilie had vermoord door ze een maaltijd waarin giftige paddenstoelen waren verwerkt voor te schotelen. Bij het onderzoek naar de sterfgevallen viel het op dat zij er weliswaar ook van had gegeten, maar alleen ziek geworden was. Ze had een portie genomen met weinig paddenstoelen, waarvan ze wist dat ze er wel ziek van zou worden, maar in leven bleef. Op het ogenblik staat ze terecht wegens moord. Aangezien haar verhaal van hele en halve waarheden, tegenstrijdigheden en pure leugens aan elkaar hing, was ze al snel door de mand gevallen.

    In alle berichten in de Nederlandse media werd vermeld dat ze haar disgenoten de zogenaamde ‘doodskap’ had voorgezet. Helaas had ik deze idiote naam al eerder gehoord dus ik wist meteen welke soort het betrof. Jammer, want ik hou van dit soort taalpuzzels, en dit was voor mij dus geen onderzoek naar wat in hemelsnaam een ‘doodskap’ is. Ik ben benieuwd wat voor beeld de radioluisteraars en de lezers van de diverse digitale media zich gevormd zouden hebben van een doodskap. Ik heb links en rechts geïnformeerd of men wist wat een doodskap is. In veel gevallen reageerden ze met: ‘een doodskop zal je zeker bedoelen?’. Nee, geen doodskop maar een doodskap!

    Er was uiteraard niemand die het wist. Logisch niet, want het woord bestaat niet. Ik heb het opgezocht in het ‘Woordenboek van de Nederlandse taal’ en in het ‘Groene Boekje’. In beide staat het niet vermeld. Vertaal je dood in het Engels, dan krijg je Death, kap wordt uiteraard Cap. ‘Death Cap’ dus. Pak een willekeurig Engelstalig paddenstoelenboek en je ziet meteen het antwoord. De Death Cap is Amanita phalloides. De dodelijkst giftige paddenstoel ter wereld, bij de meeste mensen bekend onder de naam groene knolamaniet. Ook in Nederland is de soort heel gewoon. In mijn woonplaats Leiden staat hij letterlijk bij mij om de hoek, in het talud van de singels. Ik heb ooit een toeschouwer van de 3-Oktober optocht gezegd dat hij daar niet met zijn hond moest staan, je weet nooit of het dier van eet. Doe ik nooit meer. De man begon me uit te schelden over waar ik me mee bemoeide!

    Ik heb de laatste dagen geen nieuws meer over het proces tegen de Australische vrouw gehoord. Maar dat komt volgende week wel weer nu de (witte) rookwolken over de pausverkiezing weggewaaid zijn. Dan zijn komkommernieuwtjes weer welkom.

    Er zijn veel vergiftigingen bekend van de groene knolamaniet, waarvan de beroemdste die van Keizer Claudius is, die door zijn liefhebbende echtgenote werd vergiftigd omdat ze haar zoon Nero op de troon van Rome wou hebben. Een ander groene knolamaniet verhaal wil ik u ook niet onthouden. Enkele decennia geleden was er, ik meen in Zuid-Frankrijk, een jong stel waarvan de ex van het meisje op schijnbaar onverklaarbare wijze overleed. De patholoog-anatoom die het lichaam onderzocht was een fanatiek paddenstoelenliefhebber en herkende in alles in het lichaam symptomen van groene knolamaniet vergiftiging. Maar het slachtoffer had beslist geen paddenstoelen gegeten, zelfs geen gewone champignons. Er moest een verklaring zijn, iemand overlijdt niet zomaar aan amanieten-vergiftiging. De arts onderzocht het lichaam heel nauwgezet en ontdekte een minuscuul gaatje in een been, veroorzaakt door een injectienaald. Het stel had een extract van groene knolamaniet vergif Intramusculair ingespoten. Zo ziet u maar. Ze dachten de perfecte misdaad gepleegd te hebben, maar niet gerekend op een patholoog-anatoom die ook mycoloog was.

    Terug naar waar ik mee begonnen was. Stomme vertaalfouten in publicaties, nieuwsmedia en vergelijkbare bronnen. Ik had mijn doodskap op Facebook gezet en toen kreeg ik een bericht van een kennis die enthousiast reageerde: “Hans, ik heb nog een leuke voor je, ook van de NPO!”. In een televisieprogramma werd een Nederlandse vrouw geïnterviewd die onderzoek deed aan Polar Bears. Het interview ging in het Engels. De beren werden door de onderzoekster consequent ‘Ice Bears’ genoemd.

    En wat te zeggen van dit juweeltje, gevonden in een vertaald kookboek dat ik in de Openbare Bibliotheek had geleend. In de lijst van ingrediënten van een recept dat me wel aanstond werd gewag gemakt van paardenradijs. Ik neem aan dat het niet nodig is om het uit te leggen, maar ik doe het toch. Paard is ‘horse’, radijs is ‘reddish’! Ik ben beroepsvertaler geweest bij respectievelijk Elsevier en Tirion (bijverdienste aan het eind van mijn studietijd). Ik zou toch mierikswortel als vertaling gekozen hebben.

    Tot slot eentje uit de praktijk waar ik zelf zijdelings bij betrokken ben. Afgelopen week was ik voor het eerst in een half jaar op bezoek in de Leidse Hortus botanicus. Ik had onze Hortus-imkers Fred en Jacques al die tijd niet gezien, terwijl ik vroeger iedere zondagochtend bij ze koffie ging drinken. Fred en Jacques waren waskaarsjes aan het maken voor de Hortuswinkel en de plantenmarkt van 10 mei. Voor het naderende hoogseizoen hadden Fred en Jacques een grote bestelling vormpjes geplaatst. Fred vertelde dat hij van zijn leverancier bericht had gekregen dat zijn schimmels waren aangekomen…                                                                                                                                                                                                          

  • Wat overpeinzingen naar aanleiding van mijn gebitsperikelen

    Wat overpeinzingen naar aanleiding van mijn gebitsperikelen

    Het is alweer een tijdje geleden dat er een verhaal van mijn hand verscheen. Diverse omstandigheden hebben ertoe geleid dat ik even geen inspiratie had – geen writers block overigens.

    Zeg nu zelf. Een leuke column schrijven terwijl je met een (voor jouw gevoel) opgezwollen mond zit waaruit zojuist 4 of 5 (ik ben de tel kwijt) kiezen getrokken zijn, is geen pretje. Dat ook zijn weerslag hebben op de leesbaarheid. Maar met een lekker kaasplankje erbij, moet het wel lukken. Zo rolde dit verhaal als vanzelf uit de pen (nou ja, toetsenbord).

    Hoe komt het eigenlijk dat ik mijn gebit zo verwaarloosd had? Het antwoord bleek eenvoudig, mijn hele generatie heeft er last van. Angst voor de tandarts. Veroorzaakt door een gebitsbeul die in de jaren 50 en 60 schoolgaande kinderen kwam kwellen: de schooltandarts. Toen ik bij de kaakchirurg kwam om kennis te maken en te bespreken wat er moest gebeuren, vertelde ik hem dat ik een panische angst had voor de tandarts, veroorzaakt door de schooltandarts. Die trok kiezen en tanden zonder verdoving en boorde zonder verdoving. Wat ik toen niet wist, weet ik pas sinds ik informatie bijeenzocht voor dit verhaal. De schooltandarts werd betaald voor het aantal kinderen dat hij behandelde. Op verdoving wachten kostte tijd dus inkomen. Goh, wat deed dat boren pijn!  “U moet eens weten hoeveel van mijn patiënten met deze zelfde ervaring komen”, zei de kaakchirurg. De schooltandarts heeft meer kapot gemaakt dan u lief is! Bij mij kwam er ook nog bij dat ik tijdens het wachten tegen de juf die op ons paste zei: Juf ik moet een rood kleurpotlood voor de kleurplaat. De juf ontplofte en heeft me de huid vol gescholden omdat ik in mijn angst ‘moet’ zei in plaats van het beleefd te vragen. Dat was exit tandarts. Vanaf dat moment doodsangsten, zowel voor de tandarts als voor de wachtkamer. Waar ik nu de tol voor betaal. Opvallend is dat ik info over de schooltandarts op internet vond onder ‘verdwenen’ beroepen!

    Mijn slechte gebit heeft me er nooit van weerhouden om alles te eten waar ik trek in had. Op de een of andere manier lukte het me om op alles te kauwen en zelfs zoute pinda’s gaan er goed in. Ook al bleef er wel eens een pinda in een holle kies steken. Gelukkig is Wob solidair met me. Toen ik hem pas had – het is een halve zwerver geweest – zei de dierenarts: als eerste zijn gebit eruit. En harde brokjes dan?, vroeg ik de dierenarts. Maakt u zich geen zorgen zei ze. Katten zonder gebit eten met gemak harde brokjes.

    Naast de schooltandarts was er ook de schoolarts. In veel gevallen moest je daar naar toe, maar bij ons kwam die om de paar jaar op school. Ze (het was meestal een vrouw) kwam je gezondheid checken en je gehoor en zicht nakijken. Kleuren zien werd getest met platen met gekleurde stippen waarin een cijfer verborgen zat. Dichtbij en ver zien met een kaart met een pijl. Je moest om en om een oog bedekken en aanwijzen waar de pijl naar toe wees. Zo is ontdekt dat ik een bril moest hebben. In de klas had ik daar nog niet veel van gemerkt, want door mijn lengte zat ik op de voorste bank. Dicht genoeg bij het bord om dat te kunnen lezen. In de zesde klas kreeg je een uitgebreid onderzoek in de praktijk van de arts. Je moeder moest mee om te begeleiden. Die bleef wachten in de kleedkamer waar je je tot je onderbroek moest uitkleden. Niks aan de hand, totdat ik na het onderzoek in mijn onderbroek de gang moest oversteken naar de kleedkamer. Op dat moment liep net een van de meisjes van de klas langs op weg naar haar kleedkamer. Ik kreeg uiteraard een knalrode kleur. Mijn angst dat de hele klas het zou horen was ongegrond, ze was zo discreet om het niet te gaan rondbazuinen Ik weet nog precies hoe ze er uitzag en hoe ze heette. Overigens staat ‘schoolarts’ nog niet bij de verdwenen beroepen. Wel las ik veel verhalen van mensen voor wie de schoolarts net zo traumatisch was als de schooltandarts. Ikzelf herken me gelukkig niet in die verhalen.

    Behalve de schooltandarts en schoolarts hadden wij op de lagere school ook schoolzwemmen. Zwemles via de school werd midden jaren vijftig ingevoerd (althans bij ons in Den Haag). Ikzelf had een panische angst voor water, hoe die is ontstaan weet ik niet. Maar mijn schoolzwemmen heeft zich beperkt tot het pierenbadje. De basisvaardigheden heb ik wel geleerd, weliswaar met een grote zwemband om me heen. In ieder geval kan ik me redden als ik in het water gegooid wordt, wat jolige studenten eens gedaan hebben. Aan het schoolzwemmen hebben we overigens de naam te denken van een van de vormen zwemsport. Voor de hand liggend: de schoolslag. In 1985 werd het schoolzwemmen landelijk afgeschaft. Met als gevolg dat tegenwoordig veel mensen niet kunnen zwemmen en er veel zwembaden, waaronder het bad op Scheveningen waar ik les had, moesten sluiten.  De laatste tijd gaan er stemmen op om in ons waterrijke land het schoolzwemmen weer verplicht te stellen, in mijn ogen terecht. De Tweede Kamer heeft er al een paar keer een voorstel voor ingediend.  Niks daarvan zei de regering enkele dagen geleden nog: veel te duur en tijdrovend.

    Veel nieuwe medelanders komen uit landen waar zwemmen niet vanzelfsprekend is of waar er weinig water is. In de regel kunnen ze niet zwemmen, met alle gevolgen van dien. Dit jaar zijn er al 14 mensen verdronken, waarvan de helft Polen. Polen kent geen zwemtraditie en de meeste Polen kennen zodoende de gevaren die wij leren niet, zoals plotselinge grote temperatuurverschillen als je naar dieper water duikt (de verraderlijke spronglaag), geen vaste grond meer onder je voeten voelen en last but not least, het troebele water. Het kabinet ziet wel het belang in van het propaganda maken om nieuwkomers, en niet alleen nieuwkomers, zwemmen te leren. De overheid moet dan wel het grote tekort aan zweminstructeurs invullen en zwembaden up-to-date maken of (her)openen.

  • Verwarrende tijden

    Verwarrende tijden

    Een ramp komt altijd plotseling en onverwachts. Zo ook op 20 januari van dit jaar. Toen werd Donald J. Trump geïnaugureerd tot 47e president van de Verenigde Staten. Trump  is ongelooflijk onvoorspelbaar (of misschien juist niet: zijn onvoorspelbaarheid is voorspelbaar). En de ideeën die hij opperde in de tijd van zijn verkiezing tot zijn inauguratie doen in ieder geval je wenkbrauwen behoorlijk fronsen. Tot nu toe heeft hij er daar nog geen van uitgevoerd maar er wel diverse decreten over uitgevaardigd. Per dag enige tientallen. Er is geen eerdere president geweest die zo voortvarend van start ging.

    Maar zijn plannen zijn op zijn minst discutabel. Eentje is er reeds door hem uitgevoerd. Amerikanen moeten vanaf nu spreken van de Golf van Amerika in plaats van de Golf van Mexico. Dat heeft al geleid tot een massa spotprenten en op officiële Amerikaanse kaarten staat onder Golf van Amerika nog altijd Golf van Mexico, weliswaar tussen haakjes. En ach, die 4 jaar duurt het wel uit.

    En het zal hem zeker niet gaan lukken de grondwet te veranderen om een derde termijn op te eisen. Daarnaast is hij ook al 78, dat vergeet hij voor het gemak even. Maar wat echt beangstigend dat hij in zijn houding ten opzichte van het Oekraïne-conflict Europa in de armen van Rusland drijft. En zijn eigen land bovendien ook. Er is al een spotprent van Poetin achter zijn bureau met aan de muur een portret van ‘the employee of the month’.   Maar Groenland (weliswaar onder Deense supervisie), Canada en Panama zijn gelukkig nog zelfstandig. Een bemande reis naar Mars, jammer voor Trump, is tot op heden echt een utopie…

    Al deze feiten hebben ertoe geleid dat er internationaal op grote schaal is opgeroepen om vooral een noodpakket, -voorraad of -rantsoen in huis te halen. Je kan niet weten of Trump ons meetrekt in de oorlog die er momenteel woedt! Overdreven paniek, is de publieke opinie nu de storm wat geluwd is.

    Foto door Roger Brown: https://www.pexels.com/nl-nl/foto/voedsel-eten-water-h2o-5125690/

    Maar wat zit er eigenlijk in een noodpakket? Je hebt noodpakketten en noodpakketten. Non-food pakketten en levensmiddelenpakketten. In een non-foodpakket hoort bijvoorbeeld een opwindbare zaklantaarn of een knijpkat, handgereedschap, een smartphone met powerbank, een opwindbare radio, verbandspullen, een extra tandenborstel met tandpasta en cash geld. En niet te vergeten wc-papier. Een opwindbare zaklantaarn heb ik, in broekzakformaat. Zelfs uitgerust met zonnecellen, handig in een broekzak. De knijpkat is een erfenis uit de tweede wereldoorlog. Voor die tijd bestonden ze al, maar in de oorlog zijn gemeengoed geworden tijdens (verplichte) verduisteringen. Je had er immers geen batterijen voor nodig. Zouden er jongeren zijn die nog weten wat een knijpkat is?

    Knijpkat.

    Wc-papier is een heikel punt. Tijdens de COVID-epidemie was er een vrouw die bij Albert Heijn opvallend veel wc-papier insloeg, hele boodschappenwagentjes vol. Voor het geval dat de schappen leeg zouden zijn. Dat ging viraal en binnen no time was heel Nederland wc-papier aan het hamsteren. Een schoolvoorbeeld van massahysterie. Uiteraard met gevolg dat er nergens meer wc-papier verkrijgbaar was. Maar pas op, er wordt al gewag gemaakt van opnieuw inslaan van wc-papier. Door de Trump-angst. Hetgeen geleid heeft tot een fraaie Fokke en Sukke cartoon (NRC 21 februari).

    Dat was het non-food. Tot mijn verbazing is non-food de gangbare term, een Nederlands equivalent bestaat niet. Zoek je in de vertaalmodule op internet dan wordt ‘non-food’ vertaald met ‘niet-eetbaar’. Met tussenstreepje. Ja dank je de koekoek. heeft iemand wel eens eetbaar wc-papier gezien? Maar goed. Een goede tip die eigenlijk vanzelf spreekt is dat het sowieso verstandig is om een standaard voorraad in huis te hebben. En over een goede koelvries-combinatie te beschikken. Deze is weliswaar gevoelig voor stroomstoringen, maar zelfs zo een stroomuitval van 5 uur, zoals onlangs in Chili, moet de inhoud kunnen doorstaan.

    Mijn moeder heeft de hongerwinter meegemaakt, met vijf kinderen te voeden (het zouden er acht worden, ik ben nummer zeven in de rij). Na de tweede wereldoorlog zorgde mijn moeder dat er van bepaalde zaken altijd een grote voorraad aanwezig was. Maar ze overdreef wel: Een heel blik met pakken koffiebonen, een heel blik met pakken thee, diverse pakken maizena, zelfrijzend bakmeel, bloem en ik weet niet wat nog meer. En niet te vergeten 10 kilo zout en 20 kilo suiker. Alles weggestopt in de verdiepte keukenkast. Waar in het begin ook de zuivel en vleeswaren werden bewaard tot we een koelkast hadden. Een koelkast klinkt vandaag de dag als vanzelfsprekend, maar was in de jaren ’50 van de vorige eeuw nog een enorme luxe. Als er een pak uit de diverse voorraden was aangebroken, dan werd de voorraad direct weer aangevuld. Vreemd genoeg heb ik mij er als kind nooit over verbaasd, ik dacht dat dat zo hoorde. Maar later vroeg ik me af waarom die enorme hoeveel nodig was. Toen ik op kamers ging heb ik er aardig misbruik van gemaakt, en ik denk niet als enige van al mijn broers en zussen.

    Een van mijn broers was beroepsmilitair, ten tijde van de koude oorlog. Hij bracht een keer zijn noodrantsoen mee naar huis. Allemaal legergroene blikjes, waarvan een rond blikje me speciaal opviel. Er zat krentenbrood in. Mijn vader zei eens: ‘Zullen we voor de grap dat blik eens openmaken?’ Er kwam een vreemd rond ding uit, wat krentenbrood moest voorstellen. En smerig dat het was! De rest van de blikjes is linea recta de vuilnisbak in verdwenen, ongetwijfeld terecht!

    Deeplink via Mastodon.nl.

    Ik ben erachter gekomen dat ik een prepper ben. Ik had nog nooit van het woord gehoord. Maar Fokke & Sukke maakten het mij duidelijk. Een prepper is iemand die voorbereid is op alles, het woord komt van het Engelse ‘to prepare’, voorbereiden. Fokke en Sukke zijn zulke goede preppers dat ze zelfs cash bitcoins in huis hebben!  Een goede prepper heeft ook een basis medische kennis en voldoende ervaring in zelfverdedigingstechnieken. Beide bezit ik niet en ben ik ook niet van plan het me eigen te maken! Maar een goede prepper als ik heeft een grote voorraad van levensmiddelen in huis, in pakjes, blikjes, de koelkast en de vriezer. Wat er in een dergelijke basisvoorraad moet zitten is te kust en te keur te lezen op internet. Ik heb mijn kasten een paar weken geleden met mijn schoonmaakster nog eens goed nagekeken. En alle ver over de datum zijnde zaken weggegooid. En, uiteraard, direct weer aangevuld. Het is noodzakelijk je voorraden regelmatig te controleren, dat deed ik veel te weinig. Dat was goed te zien aan mijn mud aardappelen. Fraaie uitlopers dat wel, maar niet meer voor consumptie geschikt. Geen nood, volgende week poot ik de knollen in de tuin.

    Zo, een hele lijst overpeinzingen. En dat allemaal dankzij de paniek bij het aantreden van Trump. Ik had dit geschreven voor zijn nu al legendarische en historische ruzie in het Witte Huis. Vance en Trump tegen Zelensky!

  • Heet, heter, heetst

    Heet, heter, heetst

    Geef mij maar nasi goreng met een gebakken ei, wat sambal en wat kroepoek en een goed glas bier erbij. (Tante Lien, Wieteke van Dort)

    Na de oorlog kwamen er veel Nederlanders en Indische Nederlanders terug naar ons land.  Vaak waren dat overheidsambtenaren en die gingen logischerwijze naar Den Haag. Sommige kozen echter voor Amsterdam en gingen wonen in de binnen Bantam. De meesten konden daar echter niet aarden en vertrokken alsnog naar Den Haag.

    Los van de muziek (zie mijn verhaal in Gourmand Gazette van 9 september 2024) brachten de repatrianten ook het Indisch eten mee. Voor veel authentieke Hollanders was dat een geheel nieuwe ervaring.  Met name dat rode spul dat sambal genoemd werd en dat overal en nergens op gesmeerd werd, sprak tot de verbeelding. Oud Indiëgangers smeerden hun sambal op rijst, zoals Nederlanders zout op de aardappelen strooi(d)en. Huiverig waagden Hollanders zich vervolgens ook aan Sambal, te beginnen met de meest eenvoudige die er is, Sambal Oelek. Ik kwam als jochie van zes uit Nijmegen in Den Haag in de ‘Indische buurt’, het Statenkwartier, te wonen. Als ik bij mijn buurvriendje Joop speelde, keek ik altijd met verbazing hoe zijn vader zijn boterham met pindakaas rood verfde. Joop zag dat en stond me een keer op te wachten met een theelepeltje vol met dat rooie spul. Ik associeerde als klein Nijmeegs jongetje een theelepel met iets roods natuurlijk met jam. En een lol dat Joop had toen ik erin trapte!

    Er waren oorspronkelijk drie firma’s die sambal produceerden in ons land, alle drie familiebedrijven. Conimex, de oudste, Go-Tan en Inproba. Alle drie bestaan ze nog, alleen is Conimex niet meer in Nederlandse handen. Het bedrijf groeide de oprichters, twee Baarnse broers, boven het hoofd en al spoedig deden ze Conimex over aan Unilever, waarbij Unilever aan de smaak ging sleutelen. Meer zout en minder kruiderij. Al spoedig spraken echte liefhebbers en bereiders van Indisch eten over ‘het verboden C-woord’, dat niet in de mond genomen of in recepten genoemd mag  worden…

    De eerste sambal waar Nederlanders zich aan waagden was zoals gezegd sambal oelek. Niet bepaald de meest fantasievolle, maar wel als basis gebruikt voor complexere sambalan. Sambal oelek bestaat uit fijngemalen lomboks met zout, meer niet. En heet genoeg om je tong aan te verbranden. Lomboks zijn de meest gebruikte Spaanse pepers, lange rode (rijpe) of groene (onrijpe) pepers . Bij Spaanse pepers spreek je overigens in het algemeen niet van scherp, maar van heet. Traditioneel hoort sambal oelek gemaakt te worden door lomboks in een platte granieten vijzel, de tjobek, met een gebogen granieten stamper, de oelekan, fijn te wrijven. In het woord ‘oelekan’ zit dan ook het woord ‘oelek’. Ik heb twee tjobeks met bij behorende oelekans, een kleine en een grote, beide van ruw, grijs graniet. Ik heb ze in het verleden heel veel gebruikt. Helaas staan ze nu vrijwel doelloos in de keuken. Maar wil je lekker spierpijn in je polsen krijgen: maak je eigen sambal oelek!

    Na de oorlog kwam er ook behoefte aan kookboeken voor mensen die de Indische keuken zelf wilden bereiden. De eerste boekjes waren sterk aangepast aan de Hollandse smaak en uiteraard aan de toenmalig verkrijgbare Indische kruiden. Als bepaalde Indische kruiden niet verkrijgbaar waren, werden er vervangers genoemd. Zoals koriander voor ketoembar. Logisch, dat is hetzelfde. Maar wat mijn een doorn in het oog was en nog steeds is, is laurier als vervanger voor daon salam. Om de dooie donder niet. Twee volkomen, niet uit te wisselen smaken. Ik liet in zo een geval bij het koken de salam weg. Ik liet mijn gerecht niet bederven door laurier. Ik heb het zojuist nog geprobeerd, salam smaakt beslist anders dan laurier en heeft is bovendien zacht van smaak. Stel dat er in je recept staat ‘drie blaadjes salam’ en je vervangt dat door drie blaadjes laurier, dan kan je je eten weggooien.

    Twee veel gebruikte boekjes waren de ‘Hollandse rijsttafel’ en ‘Indische producten’. (foto) En later, niet te vergeten, het onvolprezen Groot Indonesisch Kookboek van de Godmother van het Indisch koken, Bep Vuyk.

    Door een toeval kreeg ik opeens zin om zelf sambal oelek te gaan maken. Helaas laat mijn fysieke conditie het niet meer toe om naar de markt te gaan, waar een heel goede kraam is met Indische producten. Onder andere veel verschillende sambalan. (Laat ik niet al te snobistisch gaan doen, vanaf nu gebruik ik gewoon weer het woord ‘sambals’ als meervoud). Ik begon met het recept van Bep Vuyk. Die gebruikt in haar recept 20 lomboks. Even checken voor de zekerheid. Albert Heijn heeft mooie lomboks. Die zijn 45 eurocent per stuk, hetgeen neerkomt op 9 euro. Dat vond ik wat te gortig voor iets dat ik meer zag als een experiment. Na verder zoeken op internet vond ik zakjes pepers in de aanbieding bij een andere landelijke supermarkt. In de (twee) zakjes die ik kocht zaten jalapeños, habaneras en volgens het zakje ook rawits. Maar deze waren wel erg groot. Rawits zijn heel kleine bloedhete pepertjes. Ik weet nog goed dat ze in de inmaakkruiden van mijn oudste zus zaten als die uitjes, augurken en meloen ging inmaken. Ik had mijn ervaringen met het maken van sambal oelek op facebook gezet. Bij een van de commentaren zij iemand dat rawits jonge lomboks waren. In de verste verte niet. Rawit is een apart ras en staat beduidend hoger op de schaal van Scoville dan lomboks, maar daarover straks meer. Overigens hoe meer zaadjes je laat zitten, des te heter wordt je sambal. Ik heb voor de zekerheid maar zo veel mogelijk zaadjes verwijderd.

    Van Bep Vuyk mag je de pepers eerst grof malen in de blender, maar daarna moet je ze fijnwrijven in de tjobek. Zo gezegd, zo gedaan. Als ik iets uitgebreid met pepers maak, leg ik er een briefje naast met in heel grote letters: NIET IN JE OGEN WRIJVEN! Dat heb ik één keer gedaan en daarna doe je dat nooit meer. Maar om het automatisme te onderdrukken kan deze waarschuwing aan jezelf geen kwaad. In mijn Facebookverslag gaf iemand de raad om dunne keukenhandschoenen aan te doen. Waarop er door iemand droogjes op gereageerd werd: ‘ook dan moet je niet in je ogen wrijven’. Met de grote tjobek lukte het niet naar mijn zin. Dus maar de kleine, meer een ouderwetse vijzel, erbij gepakt, dat ging stukken beter. Helaas kreeg ik een dag na het pepers snijden en fijnwrijven een plotselinge hevige jichtaanval in mijn linker pols. Op Facebook suggereerde iemand dat dat door de belasting van het werk kwam. Dat zou kunnen, maar dan had het in mijn rechterhand moeten schieten. Weer iemand anders dacht dat het door de capsaïcine, de scherpe stof uit de pepers, kwam. Nee, van capsaïcine krijg je geen jicht. Maar de pijn was niet uit te houden. Ik heb zaterdag de dokterstelefoon geraadpleegd en daar kreeg ik een recept voor colchicine, daar heb ik vroeger ook veel baat bij gehad. Colchicine is echter wel giftig bij overmatig gebruik, ik ben er heel terughoudend mee. Helaas bezorgen apotheken in het weekend niet, nu wordt het morgen maandag hopelijk bezorgd.  Terwijl ik aan de tekst sleutel, is het al 5 uur geweest en zijn mijn medicijnen (en niet alleen de colchicine) er nog niet.

    Ik kwam op het idee voor dit verhaal door de opmerking die ik had gemaakt op Facebook over de gemalen Spaanse peper die ik als eerste in mijn keukenkastje vond, toen ik ging koken en ik pepers nodig had, de Nago Jolokia. Ik heb geen idee waar ik die ooit gekocht heb. Hij is bloedheet, de op één na heetste peper die er bestaat. Onzin, zei iemand op Facebook, Madame Jeanette is veel scherper! Dat wou ik weerleggen. Ik zocht op internet of daar iets over bekend was. En toen vond ik de mij op dat moment nog niet bekende schaal van Scoville, waarop de pepers naar heetheid staan gerangschikt. Met groene paprika’s op nul en pure capsaïcine op de hoogste plaats. Maar dat zou ik niet proberen, het lijkt me dodelijk. De heetste pepers zijn pas kort bekend, het is de Carolina Reaper. Reaper is een ander woord voor de dood zoals afgebeeld als een zwart silhouet met een zeis in zijn hand.

    Nago pepers worden verbouwd door een restvolk in India dat woont in een gebied tussen Nepal en Pakistan. de Nago. Zij hebben het alleenrecht op het kweken deze pepers, het is hun belangrijkste bron van inkomen.

    Mijn zusje uit Amerika en haar man logeerden eens bij mijn broer hier in Leiden. Mijn zusje was boodschappen wezen doen en kwam terug met de mededeling ‘Wat hebben ze hier leuke kleine paprikaatjes’. Helaas het waren Habanera en Madame Jeanette! Dat heeft ze geweten!

  • Groente en fruit laten rijpen

    Groente en fruit laten rijpen

    Mijn Amerikaanse zusje die mijn columns altijd naleest is over uit Amerika en was vanochtend, 24 december,  bij me op bezoek. Ze vroeg waar mijn volgende column bleef. Welnu, ik had en heb nog een beetje een klassieke writers block. Ik vind het heerlijk om een column te schrijven met een lekker zonnetje buiten en een mooie blauwe lucht. Met dit sombere weer van de afgelopen weken heb ik geen inspiratie. Ik heb zelfs gedacht om een stukje te schrijven over het weer, maar ik ben al zo triest! En bij al die kerstliedjes op de radio wordt ik nog triester.  Ze komen me de strot uit, vooral Flappie! Het enige leuke kerstliedje dat er is heb ik vannacht voor de eerste keer deze kerst gehoord: ‘Ik ben een kerstbal’ van Bert en Ernie! Mijn zusjes hebben me op goede ideeën gebracht toen ik mijn laatste, wat vrolijker, onderwerp voor de volgende column opperde. Met persoonlijke ervaringen. Het moet ervoor zorgen dat je fruit en groente op tijd rijp is voor consumptie.

    Ik heb in het verleden een hele column gewijd aan bananen, die is hier terug te vinden op Gourmand Gazette. De laatste tijd zijn de bananen die ik bestel altijd onrijp. Groen en niet te schillen en zeker niet lekker. Hoewel er mensen zijn juist dol zijn op onrijpe bananen. Ik niet in ieder geval. Bananen worden altijd onrijp ingevoerd, de groene trossen zijn dan niet zo kwetsbaar. Eenmaal aangekomen in Nederland, worden ze hier nagerijpt (na eerst nagekeken te zijn op grote spinnen zoals  bananenspin (Phoneutria nigriventer) en meegesmokkelde cocaïne). Dat narijpen gebeurt in grote loodsen waar ze worden blootgesteld aan acetyleengas. Als je onrijpe bananen binnenkrijgt moet je ze ook op deze manier laten narijpen. Maar hoe kom je in je huiskamer aan acetyleengas? Welnu, heel eenvoudig. Acetyleengas komt in ruime mate vrij uit appels. Doe de bananen in een goede doorzichtige plastic zak met een handvol appels en laat de zak goed dicht enkele dagen liggen. Je ziet de bananen rijp worden. Als ze helemaal geel zijn, zijn ze het lekkers. Rijpen ze nog verder dan worden ze zacht en bruin, maar wel zoeter!

    Avocado’s komen ook onrijp in de handel. Niks zo vervelend als je de avocado snel wil gebruiken en hij blijkt nog keihard te zijn. Mijn zusjes vertelden me dat je die ook kan laten narijpen met acetyleengas, dat wist ik niet. Doe de avocado in een goed sluitende papieren zak, zonder gaten of scheurtjes, samen met een appel en een tomaat. Binnen enkele dagen is de avocado zacht en eetbaar. Nog meer tips? Zie hier.

    Ook aardappelen zijn veel lekkerder als ze helemaal uitgerijpt zijn! Ik denk dat alleen hobbytelers dat weten. En ik per ongeluk. Ik had een keer een zak aardappels helemaal vergeten. Toen ik hem achter in een kastje vond zaten er aan iedere knol hele lange scheuten. Weggooien vind ik altijd zonde, dus ik groef een groot gat in de tuin en gooide de aardappelen daarin. De omringende planten zoals fluitenkruid, zevenblad en look-zonder-look groeiden veel sneller en werden veel hoger dan de aardappelen, zodat die aan het oog onttrokken werden. En dus door mij ten tweede male vergeten werden. Ik had voor mijn verjaardag een pak bloembollen gekregen en besloot op een goeie dag die te gaan poten Toen ik plantputjes groef kwamen er opeens aardappelen tevoorschijn, een groot formaat krieltjes. Ik besloot om eerst de aardappelen te oogsten. Van de aardappelen was het loof op een geheel natuurlijke wijze doodgegaan, niet gespoten of loofgeklapt zoals in de bio-industrie. Bij elkaar oogstte ik precies twee kilo krieltjes. De aardappelen hadden heel veel zetmeel kunnen ontwikkelen en de daarbij behorende suikers. Ik heb van mijn leven nog nooit zulke lekkere aardappelen gegeten, zowel gekookt, gebakken en gefrituurd. Niet tot moes gestampt, dat vond ik zonde van de krieltjes. Bovendien waren ze te klein om te schillen dus alles met schil en al, voor zover je daarvan kon spreken.

    Eenzelfde ervaring had ik met kerstomaatjes in de tuin. Ik was een keer aan het voorbereiden om mijn keuken af te gaan breken (iets voor een ander verhaal) en ontdekte een tomatenplant die tegen de keuken in de volle zon stond. Er was al een eerste tomaat rijp en die plukte ik. Er ging een wereld voor me open! Wat heerlijk! Ik lustte als kind geen tomaten, en nog is het niet mijn favoriete groente. Maar de in de zon uitgerijpte kerstomaatjes waren een openbaring. (Ik gebruikte het woord groente terwijl tomaat een bes is, paprika’s, tomaten en dergelijke heten dan ook vruchtgroenten). Nu begreep ik de afkeer van Duisters voor de Holländische Wasserbomben, uit hun krachten geteelde tomaten uit het Westland. Die smaakten op een gegeven moment nergens meer naar. De kwekers dachten ‘groot is mooi en veel is lekker’. Gelukkig dacht de consument, ook de Nederlandse, daar anders over. Over de tomatenproblematiek heb ik zo ongelooflijk veel informatie gevonden op Internet dat ik niet meer wist wat ik zou citeren. Gelukkig vond op een site over Nederlander-grappen deze rake samenvatting:

    Was ist der Unterschied zwischen Jesus und den Holländern? Jesus hat aus Wasser Wein gemacht – die Holländer aus Wasser Tomaten.

    Mijn Amerikaanse zusje vertelde dat ze tomaten laat narijpen in een dichte papieren zak. Ze rijpen dan na door het acetyleengas dat ze zelf afscheiden. Kijk, zo leer je nog eens wat.

    Overigens is chutney van groene tomaten in sommige landen erg geliefd. Maar men moet er heel voorzichtige mee zijn, de hele plant, zo ook de groene onrijpe tomaten, is giftig. De gifstof heet tomatine en is een zogenaamd glycoalkaloide. In groen geworden aardappelen zit een vrijwel identiek glycoalkaloide, solanine. Van groene aardappelen weet iedereen wel dat die giftig zijn. Van beide stoffen wordt men bij de inname van 25 mg doodziek en 400 mg is dodelijk. Ik zou maar van groene tomaten afblijven, dat is veiliger.

    Er zijn nog veel meer vruchten bij wie de acetyleen-truc kunt uithalen, maar des te meer die je rijp moet kopen en je eigenlijk direct moet eten. Je kan ze hooguit een dagje in de koelkast bewaren. Helaas zijn deze allemaal erg kwetsbaar, zoals aardbeien, bessen frambozen.

    Ik had ook nog een stukje aan misvormd fruit (niet beschadigd, maar scheef gegroeid) willen wijden, maar dat is voor een volgende column. Heb ik gelijk een idee. Bovendien heb ik daar het boek ‘Met Gort de Boer op’ voor nodig. En dat kon ik tussen mijn vele kookboeken in het donker niet vinden.